Ook aan het Wad, waar ‘Altied wat is’: 50 jaar wadlopen

0
132
DSK_STRK-p15.pdf - Adobe Acrobat Pro

Pieterburen en wadlopen onlosmakelijk met elkaar verbonden

PIETERBUREN – Nog even en dan is het zover: het ‘Altied wat aan ’t Wad’-weekend. Op 4, 5 en 6 oktober is het groot feest in Pieterburen en Westernieland. Hoewel het weekend bedoeld is voor een ieder die iets met de dorpen heeft, moet men niet aan een reünie denken. Dit weekend wordt georganiseerd als een ontmoeting tussen vroeger en nu, waarbij er veel ruimte is voor alles wat de dorpen aan het Wad zo kenmerkt. Ruimte is er dus vanzelfsprekend ook voor het wadlopen, inmiddels vijftig jaar onlosmakelijk verbonden met Pieterburen. De Streekkrant bezocht de twee wadlooporganisaties in het dorp om te praten over vroeger en nu, het dorp en het aankomende feest.

Wie aankomt in het dorp, kan het niet ontgaan dat hier de basis van het recreatieve wadlopen ligt. En dat op de grote parkeerplaats speciaal voor wadlopers alleen de auto van uw verslaggeefster prijkt deze ochtend, betekent zeker niet dat er niet gelopen wordt. In het ‘zenuwcentrum’ van Dijkstra Wadlopen aan de Hoofdstraat is het dan ook een drukte van belang. Twee groepen trekken die middag nog door de bagger, waarvan één er zo groot is, dat hij in tweeën wordt gesplitst. Rienk Dijkstra wordt er niet anders van. Als zoon van Hijlke Dijkstra, de man die het recreatieve wadlopen ontdekte en op de kaart zette, liep hij als zevenjarig jongetje al over het drooggevallen wad. Met de paplepel kreeg hij het ingegoten en toen zijn vader negentien jaar geleden plotseling overleed, besloten hij, zijn broer Henk en zijn zwager Maarten Tillema de door hun vader opgebouwde klantenkring niet teleur te stellen en Dijkstra Wadlooptochten voort te zetten.

Met veel plezier overigens. “Oh, ja, het is nog altijd een hobby”, vertelt Rienk. Letterlijk en figuurlijk. Want na het seizoen, wat van mei tot oktober loopt, hebben de heren alle drie weer een betaalde baan die op ze wacht. “Alle zeventig gidsen die we hebben zijn vrijwilligers.” En zo ziet de familie het ook graag. “Het wadlopen is van het weer afhankelijk. Zou het je beroep zijn, dan ga je meer risico nemen, want de druk om geld te verdienen is er dan. Nu staat veiligheid voorop.” Precies zoals vaders het de heren geleerd heeft. “Het allerbelangrijkste is respect voor het water hebben, zei mijn vader altijd. Het komt als het komt.” Wadlopen is dan ook iets waar je veel praktijkervaring voor op moet doen. “Als je kijkt naar de opleiding: 85% is praktijk en 15% is theorie. Je moet zoveel mogelijk lopen, lopen en nog eens lopen. Daar achter de dijk, moet je het doen.”

Het wad kent Rienk inmiddels op zijn duimpje. “De kompas gebruiken we eigenlijk alleen in het voorjaar om de tochten weer in te tekenen. En natuurlijk als het mistig is, dan moeten we wel op de kompas verder.” Toch verveelt het hem nooit. “Geen tocht is uiteindelijk hetzelfde”, vindt hij. “Het wad is altijd aan verandering onderhevig. Als ik een dag ergens niet geweest ben, is er vaak alweer wat veranderd. Dat komt ook doordat het wad wordt bepaald door het weer. Een hoopje zand wordt bijvoorbeeld ergens weggehaald door de wind en ligt later ergens anders weer.” Maar ook en misschien wel vooral de mensen maken het wadlopen ontzettend leuk. “Vanmiddag loop ik met een school uit Elburg die al voor het dertigste jaar komt, later weer met de top van Shell.” Eén keer had hij wel hele bijzondere gasten. Een foto wordt erbij gehaald, waarop toch duidelijk Willem-Alexander en Màxima, Constantijn en Laurentien en nog veel meer leden van de koninklijke familie prijken. Van samen biertjes drinken de avond ervoor tot kotsende prinsessen over de reling van de boot; Rienk was erbij. “Dat maak je dus ook mee als wadlooporganisatie”, lacht hij.

Volgens Rienk is het wadlopen onlosmakelijk verbonden met Pieterburen. “Oh, absoluut. Mijn vader wilde het dorp er sterker mee maken. Hij kwam tijdens het melken van de koeien op het idee. Toentertijd werd er een wintertocht naar Schiermonnikoog georganiseerd over het ijs en toen dacht hij: ‘als dit ’s winters kan, moet het zomers ook lukken’. Bewust bracht hij het onder bij Dorpsbelangen. Mijn vader was heel betrokken bij het dorp.” Jaren later liep deze samenwerking stuk en besloten Dijkstra zelf en ook Dorpsbelangen zelf verder te gaan. “Mijn vader is misschien wel te vergelijken met Lenie ’t Hart”, zegt Rienk hierover. “Hij heeft veel vrienden, maar ook veel vijanden. Als je je kop boven het maaiveld uitsteekt, dan krijg je dat. En hij was altijd heel aanwezig, promootte bijvoorbeeld op televisie het wadlopen.”

Nooit echter met de bedoeling van eigen-gewin; het dorp was van groot belang, net als het nu voor Rienk is. Juist daarom is hij zo blij met het initiatief van het ‘Altied wat op ’t Wad-weekend’. “Dat is hartstikke mooi. Want weet je, het dorp verandert”, vervolgt hij serieus. “Mensen groeten elkaar niet meer en dat ben ik niet gewend. Het is allemaal harder geworden: Dorpsbelangen kan moeilijk mensen krijgen, de ijsclub is er niet meer, de kindervakantieweek niet. Vroeger werd daar niet over nagedacht, we hadden wat voor elkaar over.” Met het weekend hoopt hij dat er een stukje van die sfeer terug zal komen in het dorp. “Een mooie gelegenheid om iedereen weer bij elkaar te trekken.” Én het is een mooie gelegenheid om terug te blikken op die tijd van vroeger. “Mijn vader legde vroeger iedere verandering in het dorp op dia vast. Elke verbouwing van een huis of van de kerk bijvoorbeeld, honderd foto’s heeft hij daar wel van gemaakt. Toen dacht ik wel eens: man wat doe je toch. Maar nu ben ik er blij mee.” Zelf zal Rienk dan ook een bescheiden, zoals hij het zelf zegt, bijdrage leveren. Op de Slikken wordt een bioscoop opgezet waar oude dorpsfilms van hem vertoond worden. Onder andere van de inpoldering van de polder, de dijkbouw en een dorpsfilm van Westernieland. Ook verzorgt hij een historische rondtocht. “Bij ieder huis is wel wat te vertellen. Oh, ja, niet te lang natuurlijk, anders schop ik het hele programma in de war”, lacht hij.

Zelf weggaan uit Pieterburen, daar denkt Rienk niet aan. “Ik zou niet weten waar het beter is, ik ga de laatste jaren niet eens meer op vakantie. Wie kan nou zeggen dat hij in tien minuten fietsen op de dijk staat. Vroeger ook, dan kwam ik uit school en dan was het laarzen aan en het Wad op.”

Laarzen aan en het wad op, dat doet ook voorzitter van Stichting Wadloopcentrum Pieterburen, Nico Bakker, nog regelmatig. Bij binnenkomst staan de vieze schoenen en de volle rugtas nog in de garage te wachten op een schoonmaakbeurt; slechts een dag eerder liep hij nog een mooie tocht over het Wad.

In 1968 begon Nico met wadlopen. “Tja, hoe kom je daarbij?”, blikt hij terug. “Ik woonde destijds in Eenrum en hoorde over het wadlopen. ‘Jij kan ook wel eens met een groep mee’, werd er gezegd en dat vond ik wel leuk.” In 1976 werd Nico voorzitter van de stichting, een functie die hij na 25 jaar neerlegde toen hij wethouder werd. Ongeveer drie jaar geleden pakte hij het voorzitterschap weer op. “In die tijd was er nogal wat strijd intern. We hebben toen een duidelijke ombuiging gemaakt en ik denk dat we nu meer doen wat het publiek wil.”

Wat dat dan precies is? “De echte massa is van het wadlopen af. Het begon ooit heel klein, met honderd à honderdvijftig man in een zomer, totdat het in het begin van de jaren zeventig 40.000 wadlopers waren in een seizoen. Nu zitten we op een 17.000 per jaar. De mensen zoeken een andere beleving”, vindt Nico. “Het prestatielopen is er af en ze willen niet meer wadlopen van een dijk naar een eiland. Ja, wij hebben onze blik wat verbreed. In 1992 hebben we een boot gekocht en zo kunnen we een wadlooptoch combineren met een tocht op de boot. Of we bieden een arrangement in samenwerking met een restaurant. Voor dat soort zaken zijn we deze week onderscheiden met het Waddengoud certificaat”, vertelt Nico trots. Een bekroning voor de club op hun vijftigjarig bestaan.

Over de toekomst van het wadlopen maakt Nico zich geen zorgen, ondanks de afnemende deelnemersaantallen. “Het zal altijd wel doorgaan”, denkt hij. “Ik denk dat dit het niveau is, waarop het zal blijven. En we willen ook niet meer groter. Dit is goed te doen met vrijwilligers.” Op de vraag of er nog vijftig jaar bij kunnen, antwoordt hij vol vertrouwen: “voor de stichting zeker wel. Zelf zal ik dat wel niet redden”, voegt hij er met een lach aan toe. Inmiddels is hij niet meer zo’n fanatieke loper als eerder. Maar nog altijd geniet Nico met volle teugen op het wad. “In het begin vond ik het altijd zo mooi dat er geen telefoon was op ’t Wad, maar dat gaat inmiddels niet meer op. Maar nog altijd vind ik de ruimte en rust heerlijk. En dat je baas wordt van het getij. Die combinatie maakt het leuk.”

Alleen al in de naam is de stichting verbonden aan Pieterburen. “Ja, dat is ook een bewuste keus. Ik denk dat Pieterburen absoluut de naam heeft. Maar dat is wel uit toevalligheden ontstaan. Net zoals de zeehondencrèche, het zit dan wel hier, maar het had ook net zo goed ergens anders kunnen zitten. En toch is het onlosmakelijk verbonden met het dorp.” De stichting echter, heeft zijn hoofdkantoor inmiddels wel ergens anders opgeslagen en zit nu in Lauwersoog gevestigd. Toch spreekt Nico over het wadlopen als een onderdeel van de dorpsgemeenschap, ook nu nog. “Wij horen erbij. Er waren vast dorpen geweest die het allemaal niet geaccepteerd hadden. Vergeet niet dat hier alle bussen stonden voor de wadloper en alle auto’s hier geparkeerd werden. In Pieterburen kon alles.”

Uiteraard hoort ook de stichting dus ook bij het aankomende ‘Altied wat aan ’t Wad’-weekend. “Zeker, via de zijlijn zijn we daar een onderdeel van. Ik ben er ook erg blij mee, met het weekend. De sfeer is hier veranderd in het dorp. Ieder gaat meer zijn eigen gang. Misschien komt dat enorme stuk eensgezindheid weer terug aan de hand van het weekend. Er moeten altijd eerst een aantal mensen zijn die het oppakken.”