Maria’s Mooie Mensen – week 17 – 2015

0
89

Naar de tandarts gaan vind ik een verschrikking. Hoewel ik in mijn hele leven nog nooit een gaatje heb gehad en er slechts eenmaal per jaar heen hoef, presteer ik het nog altijd met het zweet in de handen in de stoel te liggen. Mijn mond gaat niet eerder open, dan dat mijn tandarts me eerst uitgebreid uit de doeken heeft gedaan wat hij van plan is daarbinnen. Eén van mijn grootste nachtmerries is dan ook dat er iets zou zijn met mijn gebit. Vóór mijn vakantie aan zorg ik altijd dat ik ben geweest, want er lijkt me één ding nog erger dan naar mijn eigen tandarts gaan en dat is naar een tandarts in Italië moeten. Hoewel ik er zelf dus nog altijd van verstoken blijf, lijkt me pijn in je mond ook heel erg. Dochterlief heeft momenteel nogal wat te lijden nu ze –eindelijk maar toch-  haar eerste tanden krijgt. Het lijkt wel alsof haar gebit maar al te goed beseft dat het lang op zich laat wachten, want de tanden komen er momenteel in veelvoud door. Geheel in de lijn der verwachting ging ook dit doorkomen niet zoals het bij anderen gaat. In plaats van de snijtanden in het midden, verschenen er in haar bekkie twee hoektanden; bovenin welteverstaan. Hoewel mevrouw zich bij haar prikken vaak een enorme bikkel toont en amper een kik geeft, is het met het krijgen van die tanden een ander verhaal. Soms zomaar uit het niets komt er een kreet en grijpt ze naar haar mondje. Bijtringen, gekoelde bijtspeeltjes en zelfs een soort van bijtketting die me maar liefst tien euro kostte en ze in de winkel per se wilde hebben, keurt ze meestal geen blik waardig. Mevrouw kauwt liever op al het andere wat haar voor handen komt van boekjes tot aan slippers en dan het liefst die van mama. Haar humeur heeft danig te lijden onder de tandjes-terreur. Als ze wakker wordt en ik hoor door de babyfoon een blij “geslapen” en een vrolijk “papa” schallen, ontsnapt me vaak een zucht van verlichting. Wanneer ze wakker wordt en er klinkt een klagend gemopper waarna ze vaak kordaat zich omdraait, de spijlen pakt en opstaat, loop ik met lood in de schoenen naar boven. Gelukkig is het op dit soort dagen niet alleen maar kommer en kwel. Mevrouw laat ons stemmingswisselingen zien waar menig psychiatrisch patiënt jaloers op zal zijn. En zo kan het gebeuren dat ik met een volmaakt en lief kind gezellig op weg naar de speeltuin ga. Lachend poseert ze als volleerd model achter haar loopauto voor een foto en gierend gaat ze van de glijbaan. Op de wipwap slaat haar bui om, maar gelukkig ben ik al geoefend. Ik pak kind en loopauto onder de arm en stap gauw weer door naar huis. Al mopperend laat mevrouw zich verslepen. Ze doet een poging mij te overtuigen haar te laten lopen, maar als ze het dan linea recta op de sloot voorzien heeft, laat ik haar pas weer op de oprit gaan. Het lijkt weer een engeltje en opnieuw laat ik me inpalmen. Ach, één keer aanbellen, dat mag best. Al snel slaat de bui om. Eén keer aanbellen? Mevrouw rust niet voor ze nog een keer op het knopje heeft gedrukt. Ook dat mag dan wel. Maar als ik dan naar binnen wil, komt het tandjesmonster in alle hevigheid weer naar boven. Ze valt op haar knieën, schreeuwt ‘mama, nee, nee!’ en echte krokodillentranen biggelen over haar wangen. De katten kijken me meewarig aan, de buren vertrekken verschrikt naar achteren. Nog 23 tanden te gaan hou ik hun en mezelf maar voor.