Maria’s Mooie Mensen 335

0
91

Zindelijk worden is iets wat in etappes gebeurt. Soms heb je geluk en gaat de luier uit en is het daarna ook zo bekeken. Mijn oudste dochter besloot zelf dat de luier uit kon en heeft daarna amper een ongelukje gehad. En dat met tweeënhalf. Bij mijn twee jongste dochters gaat het allemaal wat minder soepel. Zoals ik laatst al schreef, doen wij hier niet aan half werk. Uit is ook echt uit met die luier. Waar Rachel vrij snel de slag te pakken had, deed Georgia het zindelijk worden op geheel eigen wijze: ‘ik kan het op zich wel, maar doe het alleen als ik er zin in heb’. Het in de broek poepen vond ze maar niks, dus dat was snel onder de knie. Zonder enige problemen meldde ze dat ze moest poepen en draaide drollen in de pot. Maar dat plassen liet ze overal en nergens gaan de eerste week. En dat vond ze zelf ook prima, ze had er bij tijden zelfs nog lol in als ze bijvoorbeeld dan lachend melde dat ze in haar laarzen had geplast. Gelukkig blijkt een oude wijsheid ook nu weer te gelden: de aanhouder wint. Inmiddels komen de dames droog de dag door. Een ongelukje kan ook nu nog wel eens voorkomen en dan toch vooral bij Georgia die het soms simpelweg te lang uitstelt om te gaan plassen. Het is nou eenmaal veel leuker om te spelen of tv te kijken dan op die pot te zitten. Rachel echter, is juist bloedfanatiek. Iets té bijna, want zij begon zich ook keurig ’s nachts te melden. Hartstikke fijn en hartstikke knap, ware het niet dat ze drie keer per nacht een plas wilde doen en ons continu wakker riep. We schrokken ons telkens weer een ongeluk als ze uit het niets op onze slaapkamerdeur klopte midden in de nacht en begon te roepen: ‘plassen, plassen!!’. Na een dag vol zindelijkheidstraining is het net zo’n boze droom die dan werkelijkheid lijkt te worden. Haar fanatisme weet ook overdag van geen wijken. Ze wil het zó graag goed doen, dat ze zich ook nog wel eens vergist en ons optrommelt voor dringend toiletbezoek wat dan toch loos alarm blijkt. De eerste twee weken waagde ik me dan ook niet te ver van huis met ze. Mijn auto was een nood-plas-reddingsvoertuig geworden met in de kofferbak standaard een potje, extra schone kleren en wc papier. En bij een bezoekje aan de speeltuin ging niet alleen standaard de bal mee, maar ook het potje. Én hij werd gebruikt ook hoor. Pas na twee weken begonnen we ons te wagen aan wat echte uitstapjes. De zon scheen, de fietsen lonkten – en dat is zeldzaam – dus we gingen aan de rit. Midden in het bos – ongeveer 15 minuten fietsen naar huis – was er alarm. ‘Ik moet poepen’ klonk het van voorop mijn fiets. In het bos poepen wilde ze echt niet, dus wij allemaal – ook mijn arme oudste dochter die al een rit van 45 minuten in de benen had – in de turbo naar huis. Onderweg werd de nood hoger en zei ik steeds: ‘nog even ophouden’ waarop Rachel panisch riep ‘lukt bijna niet mama’. Thuis snoerden we haar los, tilden haar linea recta op de pot en daar klonk een grote scheet. ‘Klaar’ verkondigde mevrouw trots. ‘Ik top gedaan’. �