Boersmaclub bijna compleet op Struuntocht-reünie

Doezum Arnold Schreuder Jan Wieger de With

‘’Ook het gesprek maakt onderdeel van de tocht uit”

STREEK – In de jaren tachtig was het wielrennen populair in het Westerkwartier. Groepjes jongens fietsten regelmatig samen hun trainingsrondjes door de dorpen. Zo ook de Boersmaclub; jonge honden die elkaar opstuwden tot hele aardige prestaties. Geworteld in Grijpskerk met het Westerkwartier als één grote speeltuin. Wie ze samen zou hebben gezien, zou niet hebben verwacht dat deze club uitwaaierde over heel Nederland. Op initiatief van Arnold Schreuder en Jan Wieger de With komen ze allemaal weer samen tijdens de Struuntocht.

De heren zijn elkaar nooit uit het oog verloren en vrienden voor het leven gebleven. Jan Wieger tegenwoordig gevestigd in Leek, Arnold verkast naar Doezum. Samen staan ze op de oprit Arnold’s eerste eigen racefiets te bewonderen. Ouder misschien voor het oog, maar wie goed kijkt, ziet de kwajongens van weleer nog voor zich staan. Al snel komen de anekdotes en herinneringen boven water. Onder het genot van een kop koffie wordt het plakboek dat Arnold zijn moeder keurig bijhield opengeslagen en al snel verschijnt ook het echte originele Boersmashirt op tafel. Het plezier straalt nog van de heren af. Voor hun was de Struuntocht dé kans om het clubje weer eens bij elkaar te krijgen. “Als je dit soort momenten aan kunt grijpen om contact met elkaar te zoeken, dan moet je dat zeker niet nalaten”, vindt Arnold. “Alles heeft met roots te maken”, vult Jan Wieger hem aan, “en als je de tocht loopt, dan realiseer je je: hier kom ik vandaan.”

Eerst maar eens een ‘trip down memory lane’. Terug naar de jaren tachtig waarin je volgens de heren twee keuzes had: koop ik een brommer of een fiets. Met de beelden van Joop Zoetemelk duidelijk op het netvlies kozen deze heren voor het laatste. “We waren al sportief”, vertelt Arnold, “en als dan één of twee mensen een fiets pakken en je hebt de beelden op televisie erbij, dan stuw je elkaar al snel op.” Het clubje waarin de heren fietsten ontstond uit een vriendenclub die samen veel op stap ging. Echte “jonge honden” aldus Arnold. “We waren ontzettend aan elkaar gewaagd. Echt een paar sportievelingen die altijd maar aan het racen waren. Het kón niet normaal”, lacht hij. “Ieder plaatsnaambordje was een denkbeeldige finish. Fantastisch toch dat we straks ook weer echte etappes met elkaar gaan lopen.”

Het clubje werd al snel omgedoopt tot de Boersmaclub toen Slagerij Kor Boersema besloot de heren te sponsoren. “Kor Boersema was onze oude buurman en hij wilde wel een shirt en een trainingspak sponsoren. We waren zo trots als een pauw”, weet Jan Wieger nog goed. En ook nog eens aardig talentvol. “Ja, tóen wel”, lacht Arnold. Zowel hij als Jan Wieger wisten de Ronde van het Westerkwartier op zijn naam te zetten. “We waren niet officieel lid van de Wielerbond, maar je had destijds een circuit van ‘wilde’ wedstrijden waar we allemaal aan meededen. Er waren meerdere soortgelijke clubjes als de onze in Grijpskerk en samen vielen we onder de Wielerstichting Grijpskerk. Zij deden dan allemaal weer mee aan die wedstrijden. Je kon een premie winnen: een lokale bakker sponsorde een taart of er was een rollade van de slager.” “Ja, ik kan me herinneren dat toen ik won”, vertelt Arnold, “ik wat geld in de zak kon steken. Dat is altijd een leuke bijkomstigheid als jonge vent.”

Het was volgens de heren vooral aan Roelof van der Veen te danken dat ze een aantal jaren heel fanatiek en tegen het professionele aan bezig waren met de wielersport. “Hij was kok in het verzorgingstehuis en marathonschaatser en trainde zelf op de fiets bij. Hij zag ons fietsen en opperde of we niet één keer in de week met hem een rondje Lauwersmeer wilden trainen, dan zou hij ons ook wat gaan begeleiden.” “Ja, Roelof was echt de vader des vaderlands”, lacht Jan Wieger. “Maar je hebt toch een ouder iemand nodig om te begeleiden”, vindt Arnold. “Hij was degene die dan zei: ‘jongens we gaan eens gezellig barbecueën met elkaar’ of ‘we gaan de Elfstedentocht fietsen’.”

Een zwarte dag maakte dat het wielerenthousiasme getemperd werd. Jan Wieger zijn broer overleed op 1 september 1985 bij een trainingsrondje op de wielfiets. Een noodlottig ongeluk betekende zijn einde. Een hard gelag, ook nog nu, dertig jaar later. “Hij had net vakantiewerk gedaan bij een bollenboer en van het verdiende geld zijn nieuwe fiets gekocht. Ik weet nog hoe we de avond tevoren samen keken hoe Joop Zoetemelk wereldkampioen werd. En dan een dag later, een trainingsrondje op een landbouwweggetje. Die met zijn eigen geld verdiende fiets werd zijn noodlot.” Het gesprek valt even stil als de heren duidelijk weer even terug zijn in die verdrietige tijd. Het is geen wonder dat de Boersmaclub juist daarna langzaam uit elkaar valt. “We hebben het nooit met elkaar uitgesproken, maar ik denk wel dat dit zeker van invloed is geweest. Het overlijden heeft heel wat met ons gedaan.”

Bovendien kwamen de heren op een leeftijd dat het flierefluiten voorbij was en ze keuzes moesten maken. “Je bent als ploegje heel intensief bezig met dat fietsen, maar als je met wielrennen écht wat wil bereiken, moet je er ook heel veel in investeren. Op een gegeven moment merk je dat je tijdens de wedstrijden niet echt meer mee kan doen, omdat je zoveel minder fietst dan de anderen”, aldus Jan Wieger. “Wij hadden gekozen voor school”, vult Arnold hem aan. “Al snel kun je het tempo niet meer bijhouden en is de lol eraf.”

De Struuntocht is volgens de ideale gelegenheid om de club weer samen te brengen. “Het idee is zelfs letterlijk gelinkt aan de Struuntocht. De vorige keer dat we hem samen liepen, hebben we gezegd: als we dit nog eens gaan doen, dan moeten we de club bij elkaar zien te krijgen. Kijk, wij zien elkaar nog regelmatig”, vervolgt Jan Wieger, “en als we elkaar zien dan spreken we plat met elkaar. Loop je op de Struuntocht rond, dan spreekt ook gewoon tachtig procent om je heen ook Westerkwartiers.” “Ja, en je komt allemaal bekenden tegen”, vult Arnold hem aan. “Het is ook gewoon een evenement van verbroedering. Je loopt, ziet van alles en ervaart van alles, en hebt tijd om te praten. Het gesprek maakt ook deel uit van de tocht. De eerste twee kilometer praat je misschien over ‘hoe gaat het met jou en wat doe je nu’, maar dan ga je de diepte in.”

Uiteindelijk lukte het ze de club op twee na compleet te krijgen en ze kijken er alweer enorm naar uit. Ieder is ouder en misschien wel wat wijzer geworden en al snel wordt er volop gelachen om hoe een jonge hond van toen bijvoorbeeld veranderde van donker opgemaakte, kistjes dragende, Depeche Mode liefhebber naar een politieagent nu. Maar dat ze diep in hun hart nog altijd die kwajongens zijn, blijkt wel uit de belofte dat ze “sowieso een opvallende groep zullen zijn”. Ook benieuwd? De Streekkrant volgt de heren tijdens de tocht, voor hun niet alleen een wandeltocht, maar ook een tocht van de jaren tachtig tot aan nu.