Burgemeester loopt strijdmakker gesneuvelde opa tegen het lijf

Een bijzondere ontmoeting in Niekerk

NIEKERK – Het is augustus 1948 als een boot vol jongemannen vertrekt richting Nederlands-Indië. De rookwolken van de Tweede Wereldoorlog zijn nauwelijks opgetrokken en in Nederland wordt druk gebouwd. Hele steden liggen in puin en veel families zijn er niet veel beter aan toe. Kapot en verscheurd. Toch is voor een grote groep veelal jonge mannen de oorlog nog niet ten einde. Na de bezetting door de Japanners groeide de wens in Nederlands-Indië om op eigen benen te staan. De Indonesische nationalist Soekarno voegde in 1945, vlak na de capitulatie van de Japanners daad bij woord en riep de Republiek Indonesië uit. Dit was tegen het zere been van de Nederlandse regering die het gezag wilde herstellen. Er wordt gekeken naar de strijdkrachten die Nederland nog rijk is, zij mogen ‘voor het vaderland’ de hete kolen uit het vuur halen. Op de boot die in augustus vertrekt bevindt zich de dan net 20 jaar geworden Andries Ansing en bataljonscommandant Venema, de opa van burgemeester Ard van der Tuuk.

Het is inmiddels 2017 als Andries Ansing bezoek krijgt van de Grootegaster burgervader. Zoals te doen gebruikelijk bij bijzondere mijlpalen. En het briljanten huwelijk van Andries en zijn vrouw is zo’n mijlpaal waarvoor Van der Tuuk graag het gemeentehuis verlaat. Tijdens de koffie en het gebak komt de oorlog ter sprake. “Meneer Ansing vertelde dat hij gediend heeft in Nederlands-Indië”, duidt Van der Tuuk. “Net als mijn opa die daar gesneuveld is.” Al snel bleek de opa van de burgemeester deel uit te hebben gemaakt van hetzelfde bataljon 403-BI –bijgenaamd ‘Noorderlicht’- als Andries Ansing. Van der Tuuk: “Nu is dat niet verwonderlijk, omdat volgens goed gebruik jongemannen uit dezelfde regio in hetzelfde bataljon werden geplaatst. Het Noorderlicht bestond vooral uit Groningers, Friezen en Drenten. Wel verwonderlijk is dat dit verhaal op het jubileumfeestje van meneer en mevrouw Ansing ter sprake komt.” Ten eerste omdat Ard van der Tuuk aanvankelijk nooit de bezoekende burgemeester had moeten zijn. Burgemeester Kor Dijkstra overleed op 7 juni 2016 op pas 62-jarige leeftijd. Veel te vroeg. Normaal gesproken zou het Dijkstra zijn geweest die de gemeente Grootegast had overgedragen aan het Westerkwartier. En dus zou ook Kor Dijkstra degene zijn geweest die de taart bij de familie Ansing had geproefd. Daarnaast heeft Ard van der Tuuk zijn opa nooit gekend, daar majoor Venema sneuvelde ver voordat de ouders van de burgemeester überhaupt aan kinderen dachten. Sterker, moeder Van der Tuuk was 2 jaar toen zij haar vader verloor. “Mijn opa. Dat was voor mij heel ver weg”, vertelt hij daarover.

“Het was een mooi moment om te zitten naast iemand die daar bij is geweest” –Ard van der Tuuk

Bataljonscommandant Venema, hier nog als schoolhoofd te Westerlee

“Toch kwam het gesprek op gang en werden ook de oude foto’s uit Nederlands-Indië erbij gehaald”, vervolgt Van der Tuuk. Het is even schrikken als een bekende jeep voorbij komt zetten op één van de oude zwartwit plaatjes. “Ik ken een foto van mijn opa, zittend in een jeep in Nederlands-Indië. Meneer Ansing had een foto van dezelfde jeep, maar dan compleet verwoest.” Tussen Batang en Pekalongan kwam een Nederlandse patrouille onder vuur te liggen. “Een hinderlaag”, vermoedt Ansing. “Majoor Venema wilde niet wachten. De versterkingen duurden te lang, namen te veel tijd. Samen met kapitein De Regt sprong de majoor in zijn jeep. Normaal reed hij zelf nooit. Hoge officieren werden gereden…” Ansing vertelt dat de auto op één van de vele mijnen reed die daar destijds lagen. Kapitein De Regt overleefde de klap, maar verloor zijn voet. Bataljonscommandant Venema liet het leven. Op 38-jarige leeftijd liet de majoor een vrouw met vier kinderen achter.

Ansing valt even stil. “Ze vertelden mij op 11 april, een dag na het voorval, dat onze geliefde majoor Venema de hinderlaag niet had overleefd.” De foto die Ard van der Tuuk kent uit oma’s kast is de laatste waarop zijn opa te zien is. De foto in de collectie van Andries Ansing het eerste beeld van de jeep na de dood van de majoor. Majoor Venema, die in het dagelijks leven naast vader en echtgenoot eigenlijk schoolhoofd was in Westerlee. “Hij had gediend in het leger tijdens de oorlog, maar was geen beroepsmilitair”, vertelt Van der Tuuk. “Hij had samen met de burgemeester van Scheemda, waar Westerlee onder viel, ook gevraagd om een vrijstelling. Als schoolhoofd was hij onmisbaar. En als familieman natuurlijk ook. De minister was echter onverbiddelijk en het militaire bevel bleef staan.”

Achterop de foto van Andries Ansing staat geschreven: “Eens mijn jeep. Nadat hij op een mijn was gelopen. Dit was het resultaat. Hierbij sneuvelde majoor Venema.”   

Andries Ansing weet nog hoe hij gesommeerd werd zich te melden. “In werd opgeroepen in 1947”, herinnert hij zich. “Ik moest naar een keuring in Groningen. Ik weet nog dat ik samen met een twintigtal andere jongemannen uit de gemeente Oldekerk werd opgehaald door een militair voertuig. De keuring duurde twee dagen, waarbij we binnenstebuiten werden gekeerd.” Liefst 18 van de jongens werden goedgekeurd, waaronder Ansing. Als chauffeur was hij gewild. “Ik ben ook de enige van de jongens die daadwerkelijk naar Nederlands-Indië werd gestuurd”, weet hij. “In burger was ik chauffeur en reed ik in auto’s die het leger ook gebruikte. Die wagens hadden geen geheimen voor mij, waardoor ik in augustus 1948 op de boot werd gezet.” Zonder angst overigens, meldt Ansing. “Weet je, ik was jong. Ik zag geen gevaar. Wel avontuur. Bovendien was het niet ongezellig op de boot. Integendeel, we hebben op weg naar Nederlands-Indië flinke feesten gevierd.” Ansing herinnert zich dat die onbevangenheid niet voor iedereen gold. “De ‘oudere’ mannen hadden gezinnen, boerderijen en bedrijven”, zegt hij. “Ja, dan heb je verantwoordelijkheden en denk je anders over zaken. Zij konden niet gemist worden.” Majoor Venema kende de jonge Ansing niet op de boot. En ook weet Ansing niet of hij en de majoor tegelijkertijd naar Nederlands-Indië zijn gevaren. Het antwoord of de majoor en Ansing tegelijk vertrokken op dezelfde boot komt uit het inmiddels opgedoken fotoboek van de familie Van der Tuuk. Uit de brieven die majoor Venema naar huis schreef blijkt dat hij op dezelfde boot naar Nederlands-Indië vertrok als Andries Ansing. “Dan heeft hij ook zand moeten happen bij het Suez-kanaal”, vertelt Ansing lachend. “Het waaide en dat woestijnzand ging overal tussen zitten. Tenen, kleren én eten.” Nog een mooi ‘bootverhaal’ is dat Andries Ansing tot de 10 procent aan boord behoorde die tijdens een storm op de Indische oceaan niet zeeziek op bed lag. “Ergens had ik gehoord dat je droog spul in je maag moest hebben. Ben ik de broodkapjes gaan opeten –en warempel- dat hielp!”

“Ik kreeg een tientje voor iedere maand die ik van huis was. 220 gulden heb ik er aan over gehouden” –Andries Ansing

Twintig maanden is Andries Ansing in Nederlands-Indië geweest. “22 maanden als je de reis heen en terug meetelt”, duidt hij. “Mijn portie spanning heb ik daar wel gehad, al moet ik zeggen dat ik goed weg ben gekomen. Vrij gewaard van rondvliegende kogels en dus mijnen. Ook op mijn routes lagen mijnen. Bij één van de ritjes kwam er zelfs een wagentje op een mijn terecht. Gelukkig maar, want daar zou ik normaal gesproken hebben gereden. En wie op een mijn reed? Die was gesloopt.” Toch heeft het ‘avontuur’ hem wel gegrepen. Logisch ook, want Ansing vertelt dat collega’s die in een hinderlaag terecht kwamen werden afgeslacht. Punt. “Die spanning was er altijd.” De gevolgen kwamen pas later aan het licht. “Ik ben overspannen geweest”, zegt Ansing. “En flink ook. Tegenwoordig komen militairen terug en krijgen ze hulp. Terecht natuurlijk, maar dat was vroeger wel anders. Ik kreeg een tientje voor iedere maand die ik van huis was. 220 gulden heb ik  er aan over gehouden. Dat was zelfs voor die tijd een schijntje. Zeker als je beseft dat we hier niets meer hadden. Ik moest nieuwe kleren kopen, een fiets en wat niet allemaal meer. De terugkeer was lastig. We werden naar huis gestuurd en moesten ons maar redden. Ik stapte hier uit de bus en dat was het…”

“Het realiseren dat we daar voor helemaal niets zijn geweest is pijnlijk”- Andries Ansing

Terugblikkend op de oorlog in Nederlands-Indië is Ansing bijzonder positief over de bevolking. “Lieve mensen, gastvrij”, vindt hij. “Daar was niets mis mee. Wel is de reden dat we daar waren verkeerd. Je gaat jezelf afvragen waarom je daar bent geweest. In alle eerlijkheid, dat is mij nog steeds niet duidelijk en ik ben bijna 90 jaar. Ja, destijds vertelden ze ons dat het voor veiligheid en vrede was. Maar dat verhaal klopt niet. Oorlog is nergens goed voor. Maar het realiseren dat we daar voor helemaal niets zijn geweest… Dat wij verkeerd zaten… We hebben niets bewerkstelligd… Ook majoor Venema is voor niets gesneuveld… Pijnlijk…” Toch lijken wij niet te leren van het verleden. Wie tegenwoordig een willekeurige krant openslaat of naar het journaal kijkt ziet bommen, dood en verderf. Ard van der Tuuk onderschrijft de woorden van Andries Ansing. “In een oorlog heeft niemand schone handen. Maar wij hadden daar –met de kennis van nu- niet veel te zoeken. Of eigenlijk: helemaal niets.”

Op 4 mei leggen burgemeester Ard van der Tuuk en Andries Ansing even na 20.00 uur samen een krans ter nagedachtenis aan de oorlogsslachtoffers. “En dan niet alleen voor de vele mensen die gesneuveld zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook voor de mensen die hun leven hebben gegeven in de overzeese strijd in Nederlands-Indië en alle andere gevallen sinds 10 mei 1940”, aldus Van der Tuuk. De inmiddels 89-jarige Andries Ansing wordt daarbij vergezeld van zijn familie. “Een bijzonder moment”, vindt Ansing. “Hoe een toevallige ontmoeting kan leiden naar zo’n moment. Veel zaken hadden heel gemakkelijk anders kunnen lopen. Dan waren deze verhalen nooit verteld en de foto’s voor altijd verborgen gebleven. Veilig in het blikje waarin ik ze ooit heb weggestopt.”