Cultuurbarbaar

Ik geeft toe, ik ben een cultuurbarbaar. Niet een hele grote, want ik kan best genieten van lokale initiatieven zoals het grootse Pamietamy-project van CMV Excelsior vorig jaar. Maar toch, regelmatig krijg ik te horen dat mijn cultureel gevoel in het niet valt bij mijn politieke interesses en liefde voor sport. Ontkennen kan ik dat ook niet. Kiezen tussen een bezoekje aan een galerie of een voetbalwedstrijd is voor mij geen keuze. En ik heb op deze plek eerder al eens laten vallen dat ik een raadsvergadering met een paar leuke agendapunten prefereer boven een theater. U zult mij niet snel tegenkomen in een weiland met een ezel en een kwast. Schilderclubjes zijn vaak leuke uitjes voor cursisten die meestal zelf ook aangeven het sociale aspect van zo’n club net zo belangrijk te vinden als het (leren) schilderen. Dat zegt veel, en is tegelijkertijd helemaal niet erg. Het is dezelfde reden als waarom ik ooit in een achtste elftal ben gaan voetballen. U hoort mij niet beweren dat dat nog heel veel te maken had met voetbal. Welnee. Leuk, maar laten we het niet te serieus nemen.

Wie vanuit Grijpskerk richting ’t Hoekje rijdt komt langs het kunstwerk ‘Amphora’ dat in 1997 is onthuld toen de gasopslaglocatie in gebruik werd genomen. Ik kan het niet helpen, maar mijn eerste gedachte bij het zien van dit soort bouwsels is: ‘Wat heeft dit gekost?’ Direct gevolgd door: ‘Wat schieten we hier mee op?’ Ik had ook een ander kunstwerk als voorbeeld kunnen pakken, maar deze staat toevallig dicht bij mijn huis. Iemand heeft een behoorlijke zak -gemeenschaps- geld verdiend met iets dat niet zoveel toevoegt aan wat dan ook. Ik lees dan ook altijd met gefronste wenkbrauwen berichtgevingen dat de gemeente Assen een half miljoen euro uitrekt om een grote hond op het station te plaatsen. Of het leuk is laten we in het midden. De vraag is, is het nuttig en moet (mag) dat zoveel geld kosten? Kunnen we het geld niet anders kwijt? Ook zet ik regelmatig vraagtekens bij toegekende subsidies voor kunstevenementen die veel geld kosten en weinig publiek trekken. Zoals het Toen en Nu festival in Roden waar in 2015 een paar duizend euro’s aan gemeenschapsgeld in is gestoken om een paar honderd mensen te vermaken. Vrij kostbaar allemaal. En ik weet wel, cultuur kost geld. Maar toch, als er geen animo voor is mag het ook wel een beetje minder. Of slimmer.

Hoe slimmer werkt laat de gemeente Grootegast zien. De gemeente die zich in rap tempo ontwikkelt tot het culturele hart van de toekomstige gemeente Westerkwartier. Iets waar ik dan weer wél van kan genieten. Daar waar Landgoed Mensinge in Roden na veel tegenslag zoekende is, Landgoed Nienoord in Leek onder de bezielende leiding van Geert Pruiksma de weg omhoog lijkt te hebben gevonden na de bodem te hebben geraakt, daar is Grootegast uit de startblokken geschoten. En niet door met geld te smijten, maar door mensen te binden. Slim dus. Regelmatig krijg ik een telefoontje vanuit het Grootegaster gemeentehuis met de boodschap dat er wederom een hooggeplaatst iemand op bezoek komt in Lutjegast. Lutjegast is geen wereldstad, maar wel een plaats die op andere continenten wereldberoemd is. Het Abel Tasmanmuseum is een bezienswaardigheid, groots in al haar kleinheid. Een voorbeeld voor andere musea. Je hoeft geen grote ruimtes te hebben, geen torenhoge kosten te maken om helemaal compleet te zijn. Lutjegast laat zien dat je ook met relatief weinig middelen heel groot en beroemd kan worden. Of wat te denken van het BaronTheater in Opende. Nee, ik kom niet vaak in theaters. Maar ik leef ook niet onder een steen. Het Opender theater kan op haar eigen manier moeiteloos de gelijkenis aan met het Kielzog in Hoogezand, vanBeresteyn in Veendam of De Lawei in Drachten. Let wel, plaatsen met een veelvoud aan inwoners vergeleken met het ‘kleine’ Opende. Het BaronTheater doet het op haar eigen manier. Met vrijwilligers, kostenbewust en geeft daarmee het goede voorbeeld. Cultuur hoeft geen synoniem te zijn voor duur. Zolang het maar met hart en ziel gedragen wordt door de eigen gemeenschap. Het is dan ook geen wonder dat het Victory Museum voor Grootegast heeft gekozen nadat het ‘moest’ vertrekken uit Groningen, het is ook geen wonder dat het in Grootegast geboren Platform voor Cultuur en Kunst (PLACK) straks de culturele kar mag trekken in het Westerkwartier. En het is ook logisch dat het LEGiO-museum een financieel steuntje in de rug krijgt van de gemeente. 100 duizend euro krijgt het museum om uit te breiden. Te duur? Welnee, hier niet! In het eerst jaar na de opening trok het museum ruim 19.000 bezoekers. Dat is meer dan anderhalf keer het totale aantal inwoners van de hele gemeente. Dat zijn cijfers waar men bij menig cultureel feestje alleen maar van kan dromen. Het LEGiO-museum is geen ‘linkse hobby’, maar een geweldig dagje uit voor jong en oud. Een publiekstrekkend uithangbord waar de hele gemeente, inclusief middenstand, wel bij vaart. Een uitbreiding is inmiddels hoognodig om de toestroom van bezoekers aan te kunnen en natuurlijk draagt de gemeente logischerwijs haar financiële steentje bij. Cultuur zal (waarschijnlijk) nooit mijn grootste bron van vermaak worden. Ook zal ik (waarschijnlijk) altijd met verbazing waarnemen welke absurde bedragen er nu weer richting bodemloze putten worden gestort. Behalve dan in Grootegast, waar men met goed beleid en gezond verstand haar eigen LEGO- en Abel Tasmancultuur breed uitdraagt op een kostenbewuste manier. Zoals het ook kan. En eigenlijk zou moeten.

Meediscussiëren over de herindeling of jouw mening laten horen? Laat het weten op Twitter @richardlamberst!