DERDE HELFT – WEEK 24 – 2014

Enkele weken geleden stond in deze krant een verhaal over de zwanenzang van Be Quick in het profvoetbal, nu 50 jaar geleden. Daar zijn nogal wat reacties op gekomen. Zelf vond ik het een mooie tijd op de Esserberg, in tegenstelling tot al die Be Quickers die er een trauma aan over hebben gehouden. Ik heb genoten van onvergetelijke spelers, zoals Jenne Smit, de eerste aankoop die overkwam van Profclub Venlo en zijn roots in Nieuw Buinen had. Hij maakte indruk als een hard schietende linksbuiten.
Van Asser Boys kwam Isie Greving, die bij Be Quick met zijn fijnzinnige spel de basis legde voor een prachtige profcarrière. Bij Heracles groeide hij in de eredivisie uit tot een spelbepalende middenvelder.
Spraakmakend waren de Hongaar Janos Bedly en de Algerijn Paul Amara, die niet alleen op het veld scoorden maar vooral ook in de Groninger binnenstad. Als om kwart over vier het laatste fluitsignaal had geklonken op de Esserberg, zaten zij om vijf uur al pontificaal bij Frigge, destijds een vermaarde dancing. Amara was overigens eerder actief bij Veendam.
De beste buitenlander was toch wel Richard Brousek, een Oostenrijkse ex-international die in zijn Groninger ‘nadagen’ zowel in de spelverdeling als in de afwerking top was.
De beste aankoop aller tijden was echter Klaas Nuninga, die voor 3000 gulden werd overgenomen van het Winschoter WVV. Bij Be Quick bleek hij een schutter van formaat, die al snel naar GVAV ging en vervolgens naar Ajax, waar hij uitgroeide tot international.
Via Be Quick kwam later ook Johan Wieringa bij Ajax terecht. De van oorsprong GRC’er was de persoonlijke ontdekking van Rinus Michels. Helaas kon Wieringa het niet maken als prof. Een uitgaansleven met teveel drank speelde hem parten, zodanig zelfs dat hij er een veel te vroege dood aan heeft te danken.
Uit Haren viste Be Quick een imposante goalgetter op, Dirk Roelfsema. Hij scoorde aan de lopende band en staat zelfs nog altijd op een recordlijstje met Cruijff en Van Basten, in één wedstrijd 6x scoren. Hij deed dat tegen NOAD. Later werd hij ook topschutter bij Cambuur.
Uit eigen kweek ontpopten Herman Mengerink en Gerard Oosterloo zich tot bovenmodale krachten. Samen met Johan Wieringa vormden zij een ‘gouden’ binnentrio. In een adem hierbij kan Dré Woest worden genoemd, een jeugdinternational die bij GVAV werd weggeplukt. Een supertechnicus, maar miste fysiek vermogen om zijn belofte in te lossen.
Met een scooter lonkte Be Quick Johan de Wolf naar de Esserberg. Deze transfer bracht de gemoederen flink in beweging, ook al omdat De Wolf een telg was uit een pure Velo-familie. Zijn overgang naar Be Quick werd gezien als hoogverraad. Maar Be Quick, en dus ook wij als publiek, beleefden er veel plezier aan. De Wolf was de (katachtige) keeper in het kampioensteam van 1960, waarin nog zo’n ‘buurtverrader’ speelde, de van Oosterparkers overgekomen stopperspil Jan Bolhuis.
Kortom, Be Quick 1954-1964 is gedenkwaardige historie.