Johan van Hijum durft weer te dromen

DSK_STRK-p17.pdf - Adobe Acrobat Pro

“Als je maar niet denkt dat ik geraniums ga kopen”

ZUIDHORN – Wie kent het gezegde niet? ‘Zeven vette jaren en zeven magere jaren’. Zuidhorner Johan van Hijum hoopt van harte dat het waarheid wordt. Hij en zijn gezin hebben de afgelopen zeven jaren zoveel te verduren gehad, dat hun vette tijd wel eens mag aanbreken. Een onschuldige bacterie leidde tot een ontsteking van zijn hersenen, waarna een lange en moeizame weg van herstel volgde. Bijna alles moest Johan opnieuw leren; ook zijn geliefde tekenen. En nu dat lukt en een moeilijke periode bijna afgesloten kan worden, durft Johan voorzichtig aan weer te dromen. De slapeloze nachten zijn nog niet voorbij, maar “denk maar niet dat ik geraniums ga kopen”. “Ik wil alles doen, alles maken en oplossingen zoeken. Meedoen, knokken, op mijn manier. Je moet jezelf doelen blijven stellen.”

Johan heeft een indrukwekkend verhaal te vertellen. Schijnbaar ontspannen blikt hij terug naar 2005; het jaar waarin zijn en het leven van zijn gezin compleet op de kop kwam te staan. Maar zijn handen, die zoals hij zelf al zegt altijd bezig moeten zijn, spelen met een kop koffie en in zijn ogen is te zien dat de laatste jaren hem niet in de koude kleren zijn gaan zitten. Een ogenschijnlijk onschuldig stukje kip en een gezellige barbecue waren het begin van alle ellende. Johan voelde zich niet fit en bleek een bacterie in het bloed te hebben. Met een antibiotica kuurtje moest alles opgelost zijn, maar in plaats van op te knappen, ging het steeds een beetje slechter met Johan. “Alles begon te tintelen, ik had problemen met mijn evenwicht en praatte alsof ik dronken was. Ik zei nog: ‘nou ik heb de griep goed te pakken’. Je gaat niet van het ergste uit.” Maar dat was het wel. Hele stukken van de week die volgde, kan Johan zich niet meer herinneren. Met een ontsteking van zijn celebrale hersenhelft, zweefde hij tussen leven en dood. “Mijn vrouw kreeg te horen dat ze niet wisten of ik het zou redden”, blikt hij terug op deze zwarte periode.

Maar hij redde het en na vier weken ziekenhuis kwam Johan weer thuis. “En dan zit je thuis”, zegt hij veelzeggend. Voor een actieve man, die gewend was zeventig à tachtig uur te werken een moeilijke omschakeling. Bovendien wachtte hem een lang herstel. “Het duurde ongeveer een jaar voordat ik weer een beetje normaal kon functioneren. Mijn korte termijngeheugen was weg en fijne motoriek moest ik opnieuw leren. Je vraagt jezelf af wat je nog kan eigenlijk. Ja, dat is moeilijk. Het is een soort molen waarin je terecht komt; je wilt van alles, maar kan niks en loopt gefrustreerd rond.” Ook financieel kon het gezin het moeilijk bolwerken. Buiten hun schuld om, liepen ze een jaar lang uitkering mis en twaalf maanden inkomen compenseren, lukte niet. Schulden werden opgebouwd en Johan werd ook nog eens afgekeurd. “Ik had mijn best gedaan op de keuring en dacht: het zal wel 20 of 30% afgekeurd worden. Toen ik volledig afgekeurd werd, was dat ergens een opluchting, maar ik had vooral zoiets van: en nu? Als je maar niet denkt dat ik achter de geraniums ga zitten, zei ik de arts.”

Acceptatie was een moeilijke eerste stap die volgde. “Je komt nooit meer hogerop en je kunt niet meer leren. Je kan geen ambitie meer hebben.” Johan kwam terecht bij Het Ondernemershus in Groningen. “Daar begeleiden ze mensen met een handicap naar werk. Niet dat ik gehandicapt ben; ik voel me goed, maar ik heb wel mijn beperkingen”, voegt Johan er snel aan toe. “Mijn begeleider is gaan kijken naar de kwaliteiten die ik nog heb. Ik kan niet meer wat ik kon, maar er zijn wel dingen die ik nog wel kan.” Het tekenen en de handigheid van Johan kwamen naar voren. Hij voltooide ooit de opleiding tot meubelmaker en tekende al vanaf zijn jonge jaren. Niet voor niets prijken in de huiskamer kasten van zijn hand en hangen aan de muur zijn schilderijen. Wel moest Johan eerst zorgen dat zijn fijne motoriek weer op peil kwam. “Ik pakte een pen vast en wist niet eens meer of ik nou links of rechts was. Maar”, vervolgt hij gedreven, “mijn vader zei vroeger al zo mooi: ‘wat jouw ogen zien, kunnen je handen maken’. De weg naar succes kent maar vier letters en dat is ‘doen’.” Het tekenen maakte plaats voor schilderen en langzaamaan ging er weer een wereld open. “Ik keek vroeger wel eens naar Bob Ross, dus ik heb zo’n setje gekocht. Uiteindelijk ben ik overgestapt op acryl. Dit is mijn eerste schilderij”, toont hij een foto. Op de reactie dat deze ongelooflijk goed is, reageert Johan met een lach: “ja, toen had ik de smaak wel te pakken. Wacht, ik pak deze er wel even bij, die is in het echt nog veel mooier”, en daar komt een prachtige klaproos tevoorschijn. Bloemen, berglandschappen of stillevens; Johan probeert zich telkens te ontwikkelen in zijn schilderen.

“Je moet je draai weer aan het leven geven”, vervolgt Johan en dat lijkt hem steeds beter te lukken. Bij Jongerencentrum Avalon werkt hij tweemaal per week als vrijwilliger; daarnaast is het schilderen een welkome bezigheid en uitlaatklep. “Ik voel me weer gewaardeerd en heb weer mijn sociale contacten. Af en toe heb ik nog een shitdag, maar het is allemaal een deel van mij geworden.” En hoewel de ‘restless legs’ die hem regelmatig parten spelen nog zorgen voor slapeloze nachten, durft Johan weer te dromen. “Je moet jezelf weer doelen stellen. En mijn schilderijen, daar wil ik meer mee doen. Hier verderop staat de oude huisartsenpraktijk leeg, het zou mijn ideaal zijn om in zo’n pand een soort van kunstenaarscentrum op te zetten. Zoiets heb ik mezelf gesteld. Een eigen ruimte om te werken, waar ook andere kunstenaars een plekje hebben om te werken. Dan zou je ook jongeren kunnen interesseren om iets met hun handen te doen. En kan je ze laten zien dat er meer is dan rondhangen. Ik hoef niet rijk te worden. Ik deel liever met anderen, dat die er ook wat aan hebben.”

Knokken; de afgelopen jaren een gegeven voor het gezin. “Mijn vrouw verdient echt een pluim. Nu nog volhouden tot februari, wanneer de schuldsanering afloopt en de rechter die schone-lei-verklaring afgeeft en dan kunnen we hopelijk deze periode achter ons laten. Ik heb vaak gedacht: was ik maar overleden, dan hadden mijn vrouw en kinderen het veel makkelijker gehad. Maar nu kan ik het weer anders zien: wat ben ik blij dat we elkaar nog hebben.”