Maria’s Mooie Mensen 12”16

Ik heb helemaal niks met ziekenhuizen. Mijn instelling is dat je je er beter verre van kunt houden, want als ze je eenmaal binnen hebben, dan ben je echt aan de beurt en zal er ongetwijfeld altijd iets gevonden worden. Kwestie van genetische aanleg, want ik weet al dat mijn opa er net zo over denkt en mijn moeder presteerde het ooit zelfs onderweg van de ene afdeling naar de andere zo linea recta weer naar buiten te lopen. De ene dokter die op ons zat te wachten en de andere die ons doorverwees en ook nog eens aardig een heel eind de weg wees in het ziekenhuis, zullen zich later ongetwijfeld samen hebben afgevraagd wát er toch in vredesnaam gebeurd is met die vrouw en haar dochter. Nou simpel: ‘als ik hier blijf, vinden ze ongetwijfeld wat’, zei mijn moeder en stapte resoluut naar buiten. Later hoorden we haar neuroloog inderdaad bevestigen dat als hij tien mensen van straat zou trekken, hij waarschijnlijk bij acht of negen wel iets zou vinden, iets wat onze overtuiging uiteraard alleen nog maar sterker maakte. Dat je desondanks soms niet zonder specialisten kan, is iets waar ik wel aan moet nu ik een tweeling verwacht. Inmiddels meld ik me alweer maanden trouw elke twee weken in het door mij zo gevreesde gebouw. De route binnendoor nemen we nooit hoewel manlief bij tijden nog wanhopige pogingen doet miezerregen of kou te ontlopen. Ik ben namelijk ook nog eens iemand die al flauw valt van alleen de geur al in het ziekenhuis, dus hoe minder ik er binnen ben en zie, hoe beter het is. Onlangs was hij me al kwijt toen we de lift in zouden stappen en er net een bed vol enge toeters en bellen naar buiten werd gereden. Ik maakte zo rechtsomkeert, terwijl hij zich vertwijfeld afvroeg of we niet naar boven moesten. Onze bezoekjes ter ere van de tweeling in mijn buik, verlopen compleet anders dan we gewend zijn van de verloskundige in ons dorp. In het ziekenhuis zijn we ‘slechts’ een medische uitzondering en op zijn hoogst een heel interessant project en worden we over het algemeen ook op deze wijze benaderd. Waar de verloskundige zich steevast ook druk maakt over hoe de moeder zich voelt, is dat nu opeens van ondergeschikt belang. Geen probleem voor mij, want geheel volgens de tactiek die mijn familie gewoon is, zou ik waarschijnlijk toch altijd ‘goed’ zeggen. En hoe stijver de situatie, hoe meliger manlief en ik vaak worden en hoe scherper de opmerkingen van onze kant. Zo kregen we onze vaste gynaecoloog al aardig van haar stuk door te vragen wiens schuld deze tweeling nou eigenlijk is. Het antwoord dat het ontstaan van een eeneiige tweeling slechts onder toeval geschaard kan worden, bevredigde ons geenszins, maar was alles waar ze ons die eerste ontmoetingen mee wilde tegemoet komen. Inmiddels hebben we haar aardig los en heeft ze ons al ‘smeuïge’ verhalen verteld over een vrouw die een tweeling bestaande uit één donker en één blank kind op de wereld zette en haar genoegen de namen van tweelingen steevast in een andere dan de door de ouders gehanteerde volgorde te noemen. Laatst zaten we te dollen over baby A en baby B, zoals mijn dochters in de ziekenhuiswereld nog altijd heten, toen zij ons eens goed te pakken had. Want, zo liet ze weten, we mochten best wel onze werktitels doorgeven, dan zou zij dat wel even aanpassen in het systeem. Vertwijfeld keken we elkaar aan, moesten we de namen nu al uitspreken naar een ander of zouden we iets verzinnen, totdat we nog eens een blik op haar gezicht wierpen. Baby A en baby B is voorlopig goed genoeg.