Maria’s Mooie Mensen 16”16

Ik ben gezegend met een kind wat zelden ziek is. Of het nou de borstvoeding of gewoon sterke genen is; feit is dat wij met slechts één griepje en een rondje waterpokken er uitermate goed afkomen tot op heden. Tot op heden inderdaad, want al sinds dochterlief in januari op de peuterspeelzaal is begonnen, ligt opeens van alles op de loer. Niet zelden breng ik haar kerngezond en snotvrij heen om haar in een andere staat weer op te halen. Wonderlijk wat er in slechts twee uur en driekwartier kan veranderen. Nu ze ook nog eens vriendjes en vriendinnetjes lijkt te maken en de eerste liefhebber haar al ‘Olivia!’ roepend staat op te wachten, vrees ik dat het contact nog inniger is en het uitwisselen van bacillen dus ook. Nu ik zelf met vier weken een gezonde tweeling op de wereld hoop te zetten, heb ik maar weinig belang bij bacillen en ontsmet ik mijn handen angstvallig als ik weer in de auto zit. Verhalen van de leidsters die claimen zeker maanden nodig te hebben gehad om zelf een beetje immuun te raken voor het bacillenfeest, maken het allemaal niet beter. Toch lijkt mijn meisje prima stand te houden. Waar ik eraan twijfel of ik de groep al eens compleet heb gezien, aangezien er vanaf januari altijd wel iemand ziek lijkt, blijf ik mijn dochter trouw afzetten. Waarbij ook standaard mijn buik wordt bewonderd en minstens één keer in de week wordt benoemd als ‘enorm gegroeid’. Eén van de moeders presteerde het zelfs afgelopen week verwonderd te zeggen: ‘Oh zitten er twee in! Ik vond het al wel een hele grote buik.’ Gallig nam ik me voor manlief een volgende keer met dochterlief heen te sturen. ‘Ik ga wel dik liggen zijn in bed’, leek me een mooi voornemen. Zover kwam het niet. Een noodkreet ’s nachts luidde het begin van een weekendje buikgriep in. We vonden de kleine meid in een lading viezigheid, trillend en wel. Maar flink als ze altijd is, had ze na een warme douche al snel weer babbels in ons bed; tussen het overgeven door, dat dan weer wel. Overdag lag ze als een zielig hoopje mens op de bank. Als ik haar vroeg of het wel ging, antwoordde ze steevast ‘nee’ om vervolgens even te spugen en verder geen kik te geven. Uitgeput sliep ze hele dagen weg. Net toen wij het niet meer aan konden zien echter, kwam er weer wat leven in. ‘Waar zijn de pannenkoeken?’, vroeg ze zaterdagavond toen ze uit een dutje ontwaakte; een dutje waarin ze inderdaad de pannenkoeken miste. Opnieuw bikkelhard slaagde ze erin een halve naar binnen te werken door na twee hapjes telkens even te gaan liggen. Waar ik zelf vaak van mening ben dat als ik lijd, manlief toch zeker mee mag lijden, liet dit kleine meisje ons telkens versteld staan. Een dag later eiste ze een eitje op brood en sommeerde haar vader die te halen. De volgende ochtend was ze alweer monter toen ik haar uit bed haalde. Naar beneden in pyjama? Echt niet. ‘Ík wíl kléren áan’ stampvoette ze voor haar kast. Gelukkig, ze was weer beter. De discussies variërend over sokken, in welke beker de melk gaat of wat er op haar brood moet, neem ik voorlopig weer even voor lief. Want de stilte die er afgelopen weekend heerste, was tien keer erger.