Maria’s Mooie Mensen 2 “17

Ik tik deze column alweer heel wat weken. De precieze mens in mij – die ene die tegenwoordig vaak het onderspit delft in ons huishouden – kan u zelfs vertellen dat dit nummer 223 is. Ooit begon ik hiermee om vooral te schrijven over wat ik onderweg als journalist meemaakte, inmiddels word ik vooral opgeslokt door andere bezigheden en bieden mijn drie kleine meisjes heel veel inspiratie. Ik heb eigenlijk nooit de behoefte een sterke mening te ventileren of iemand door het slijk te halen en ik pretendeer ook niet dat mijn leven bijzonderder, leuker of spannender is dan dat van een ander. Ik hoop dat het gros van mijn lezers soms even moet lachen of bij tijden geraakt wordt door mijn woorden en dan heb ik het denk ik al heel goed gedaan. Sinds kort wordt deze column niet alleen in de Streekkrant, maar ook in ‘grote zus’ de Krant geplaatst. Een drempel waar manlief en ik eerst even overheen moesten. Om opeens ook geplaatst te worden in het verspreidingsgebied waar je woont en leeft en dus het gros van de in mijn column beschreven gebeurtenissen zich afspelen, voelt alsof er elke maandagochtend vroeg als ik in alle rust de woorden op papier zet zeker tien mensen over mijn schouder meekijken. Het voelt alsof ik opeens in de gaten wordt gehouden en alsof mijn woorden ineens meer effect kunnen hebben. Een gevoel wat ik snel van me af heb gezet; immers dit is al column 223, ik heb ze alle met plezier geschreven en de wanklanken die ik wel eens gehoord heb, waren niet talrijk of schokkend en komen vooral van bekenden. Blijkbaar deed toch de eerste geplaatste column vorige week heel wat stof opwaaien ergens dichtbij. Zoveel dat iemand de moeite nam mijn column, zeer irritant voor deze persoon, zelfs uit te knippen, te kopiëren, van commentaar te voorzien en naar ons op te sturen. Hij noemde mijn woorden om ‘van te kotsen’ iets wat ik zeker kan begrijpen gezien de inhoud van mijn relaas van vorige week. Al na deze ene week had deze persoon – anoniem, maar blijkbaar bekend gezien de ondertekening met adverteerder, lezer én buren – besloten dat ik er beter mee op kon houden. En ja, beste schrijver, ik ben dus inderdaad familie van mijn ouders, en ook nog opa, die volop werken aan de kranten die we met elkaar opgebouwd hebben. Het bloed kruipt immers waar het niet gaan kan en zoals ik zelf ooit opgroeide in een krant en mijn eigen moeder de acties van mijn broer en mij regelmatig dankbaar als inspiratie gebruikte voor een wekelijks stukje waarmee ze weinig pretendeerde, maar velen wel mee raakte, groeien ook mijn kinderen op in mijn stukjes en zullen ze me later ongetwijfeld ook boos vragen of ‘dát nou ook allemaal in de krant moest’. Maar goed deze week dus even niet, want zo’n anoniem briefje zet je dus toch aan het denken en dus laat ik me even niet van mijn beste kant zien. Wat dat betreft kunnen de briefschrijver en ik elkaar de hand schudden. Misschien moet er deze week dan ook maar ‘Maria’s niet zo Mooie Mensen’ hierboven staan. Dat zou dan de eerste zijn. Kan ik volgende week gewoon weer verder met nummer 224.