Maria’s Mooie Mensen 20”16

In de twee weken dat wij veel in het ziekenhuis vertoefden, zagen manlief en ik nogal wat witte jassen voorbijkomen. Het begon al bij de bevalling, waar achter de deur van mijn verloskamer een compleet team van kinderartsen klaarstond voor mijn meisjes. Telkens wanneer de deur openging, ving ik een glimp op van de witte jassen, hopend de allerijl uit bed gebelde gynaecoloog die mijn bevalling moest begeleiden, eindelijk te zien. Nadat ik bijna driekwartier persweeën tegen had gehouden en zij eindelijk verscheen, kon haar uitgestoken hand en haar naam me echt niet meer boeien; ik moest bevallen en waar moest zij in vredesnaam helemaal vandaan komen. Slechts veertien minuten later waren de twee prachtige meisjes geboren en kwamen de witte jassen pas echt tevoorschijn. Alleen al die eerste dag hebben we welgeteld zeker vijftien verschillende personen getroffen. Wie ze waren, hoe ze heetten en wat ze kwamen doen, was ik over het algemeen al snel kwijt. Ook de dagen erna leerden we dat de gezichten zich in hoog tempo bleven afwisselen. Een zelfde zuster treffen op de afdeling van de meisjes was zeldzaam; evenals een zelfde werkwijze of mening. De ene gedijde heerlijk neuzend op Marktplaats achter de computer, waar de ander de mouwen eens opstroopte en zei: ‘ach wat heerlijk een tweeling, die gaan we eens samen bij je aan de borst leggen’. Manlief en ik leerden al snel mee te gaan in de roulatie en gaven ons over aan wie er de scepter zwaaide. Tweemaal troffen we de ‘opperzuster’. Sommige mensen zijn nou eenmaal in de wieg gelegd voor het vak wat ze uitoefenen en dat was met deze ‘opperzuster’ zeker het geval. Voortvarend runde ze ’s avonds samen met een stagiaire de afdeling. Ze stapte kordaat van wieg naar couveuse en de rustige stand van zaken – slechts onze twee dames in wiegjes, een baby in couveuse en een vier maanden oude baby met hersenvliesontsteking die al aan de beterende hand was – maakte haar overduidelijk onrustig. Toen er opeens met spoed een pasgeboren baby met een moeilijke start werd binnengereden, leefde ze overduidelijk op. Pal naast mijn meisjes bleek het opnamebed en aan de andere kant van het gordijn hoorde ik opperzuster opgewekt haar handelingen opsommen. ‘Zo, even infuus aanleggen, zuurstof erbij.’ Ik, die totaal niet tegen naalden of ziekenhuizen kan, begon al wit weg te trekken. Opperzuster bleef onverstoorbaar en nam ondertussen even de telefoon aan om daar te melden dat ze geen tijd had, omdat ze met een héle slechte baby bezig was. Toen ze tegen het kind begon te praten over dat hij mooi het bloed uit zijn longetjes moest uitspugen, werd het mij te gortig, hees ik me in mijn rolstoel en sommeerde ik manlief me zo snel mogelijk uit het verrekte ziekenhuis te rijden. Dat mijn meisjes moesten achterbleven, viel me nooit zwaar als die avond. Toen we opperzuster de avond erna weer troffen, zakte de moed me al in de schoenen. Maar je vak goed verstaan, is als zuster niet alleen de handelingen goed doen, maar ook oog hebben voor de ouders. En dus vond ze, werd het hoog tijd dat wij onze meisjes weer eens zouden herenigen. Aangezien ze aan toeters en bellen lagen en afhankelijk waren geweest van warmtebedjes, hadden de dames nog niet weer bij elkaar gelegen. ‘Belachelijk’, aldus opperzuster. ‘Jullie kinderen zijn al tien dagen oud. Ga je ze later vertellen dat je ze de eerste tien dagen alleen zijn geweest? Hup, gauw bij elkaar leggen. De voeding haal ik later wel in met de sonde.’ En dus met dank aan opperzuster, werd na tien dagen de mooiste foto uit de ziekenhuisperiode gemaakt. De meisjes heerlijk bij elkaar, waarbij ze elkaar al snel vasthielden. Eindelijk weer eens samen.