Maria’s Mooie Mensen – week 13

Manlief en ik kochten bijna vier jaar geleden een huis uit de jaren zeventig waaraan nooit weer iets was gedaan en zijn sindsdien gestaag bezig geweest het op te knappen. Niet de pimpelpaarse badkamer met rood meubilair, de schrootjes en de typische Bruynzeel-keuken stolen ons hart, maar het plekje met zowel voor als achter vrij uitzicht en een mooi stuk grond voor onszelf. De allereerste keer dat we een kijkje namen, deden we dit ‘illegaal’ en worstelden we ons via de achter de tuin gelegen boerenree door brandnetels en bramen om een blik op het huis te werken. Ik was er direct flauw van en met mijn enkels tussen het onkruid had ik maar één antwoord voor manlief: ‘hier ga ik niet wonen’. Zoals dat wel vaker gaat, hield manlief zich wijselijk stil en wachtte rustig af. Het bezoekje bezonk een paar dagen en misschien was ik toch wat te kort door de bocht geweest. Inmiddels dus bijna vier jaar later, wonen we er nog altijd met veel plezier. De afgelopen jaren stonden vooral in het teken van het huis, dus de tuin, die ook al teveel werk was voor de negentigjarige dame die voor ons in het huis woonde, verwilderde langzaamaan steeds een beetje meer. Denk u in: bramen, bramen en nog eens bramen en dan ook nog eens een vervelende zich overal doorheen slingerende wurgplant. Nu we een kleine meid hebben en mama al levendig voor zich ziet hoe zij in de zomer op een kleed buiten ligt te pruttelen, wordt het hoog tijd de tuinhandschoenen op te snorren. Een aantal weekenden ploeteren en moedeloze blikken naar elkaar werpend was het wel helder dat we deze strijd niet zouden winnen. Hulptroepen  waren snel gevonden. Regelmatig konden we bouwen op de tuinman, die ook niet te beroerd is om te helpen stenen sjouwen, funderingen graven en muurtjes afbreken. Een meer dan harde werker die samen met zijn hulp voor de omstanders een soort van komisch duo vormt. ‘Baas’, zoals hij ook steevast genoemd wordt, is klein en gedrongen en ook wel ietwat bazig, hulpje is een lange lummel en een enorme goedzak die mij consequent met ‘u’ en ‘mevrouw’ aanspreekt . ‘Baas’ mag graag bestellen en vergeet dat wel eens te laten als hij tegen mij en manlief praat. Dus begint het vaak zo: ‘zeg Mireille, Marianne of hoe het je ook alweer, als jij nou eens koffie haalt’. Dé vrouwentaak van het verbouwen wordt mij vakkundig weer in de schoenen geschoven. Manlief helpt vaak even mee en terwijl ik me aan de koffie zet, zie ik bij hem de eerste zweetparels al ontstaan als ‘baas’ van hem hetzelfde werktempo verlangt als van zichzelf. In no time zouden de klusjes gedaan kunnen zijn, ware het niet dat ‘baas’ en hulp consequent in discussies verzanden. En inderdaad, terwijl ik dit zit te typen, zie ik bij tijden een boom tegen de vlakte gaan, waar iedere keer weer aan vooraf gaat dat de heren bepalen waar deze terecht komt en het zelden eens zijn. ‘Baas’ krijgt altijd zijn zin, maar hulp blijkt achteraf altijd gelijk te hebben. Ik aanschouw het met een lach en zie de tuin langzaam weer tuin worden. Gelukkig heb ik nog een column te typen, want het duurt maar even voor ‘baas’ mij ziet: ‘Zeg Mirella, als jij eens die bezem pakt en dat stuk veegt, dan lusten wij daarna wel een kop koffie’. ‘Ja, graag mevrouw’ echoot hulp er nog achter aan.