Maria’s Mooie Mensen – week 14

Hoewel ik echt geen stilzitter ben en manlief me voordat ik bevallen was nogal eens naar huis moest sturen, is de allereerste afspraak weer toch wel een ‘ding’. Zou het allemaal nog lukken, stel ik nog wel de goede vragen en kan ik nog wel schrijven en een gesprek voeren tegelijk? Maar nog veel belangrijker tegenwoordig: hoe zou het met mijn meisje gaan? Ze is bij haar oma in goede handen, dat lijdt geen twijfel, maar ze zal toch niet uren huilen? En oma vergeet toch niet haar luier te verschonen? En haar favoriete knuffel te geven? En zo’n fles is niet hetzelfde als de borst. Mijn moeder was resoluut. Zelf heeft ze toch zeker ook twee kinderen opgevoed en vóór mijn meisje was ze al verblijd met twee kleinkinderen, dus: ‘ik red me prima’ was haar boodschap. Afgelopen week moesten we maar eens oefenen. Mócht het dan nodig zijn, zou ik nog in de buurt zijn om terug te komen, want tja, als je eenmaal in Zuidhorn zit of ergens richting de Waddenzee tot waaraan het gebied van de Streekkrant reikt, dán wordt het een stuk lastiger als er wat met mijn meisje is. Dus met lood in mijn schoenen tilde ik dochterlief uit haar wiegje ’s ochtends. Een dikke lach is zoals altijd mijn begroeting als mevrouw de nacht erop heeft zitten. ‘Ja, nu lach je nog’, denk ik bij mezelf, ‘maar wacht maar tot je weet wat mama met je gaat doen’. Als ze weer piekfijn in de kleren zit, want als we de deur uit gaan dan ook op ons best, plant ik haar weer in de autostoel. Geen favoriet onderdeel van mijn meisje en de tranen die meestal als verzet volgen, doen me dit keer extra zeer. ‘Wil je dan toch liever bij mama blijven?’, probeer ik, maar zodra ze haar knuffels weer boven zich heeft hangen, is dochterlief haar verdriet alweer vergeten en zal haar moeder toch echt de auto in moeten. Bij oma aangekomen, zorg ik voor een warme fles, leg tien keer alle doekjes klaar en wordt ook de favoriete knuffel nog eens zorgvuldig in dochters handen gelegd. ‘Moet jij niet weg?’, zegt mijn moeder tactisch tegen me en inderdaad, ik zal gaan. Maar nog één blik in de box, oh, wat ligt ze daar lief en oh, lach je naar mij… Oké weglopen en gaan. Dan maar naar kantoor, eens even bij manlief kijken. ‘Ik ben kinderloos’, zijn mijn eerste woorden in plaats van goedemorgen. Collega’s kijken me meelijdend aan en manlief haalt spontaan een kop thee voor me. Twee lange uren houd ik het uit, dan besluit ik maar eens te bellen. Mijn moeder praat opgewekt, maar wat hoor ik daar op de achtergrond: ZE HUILT. Direct trek ik de jas aan, want ik moet ook nog langs de supermarkt. Als een dolle haal ik de hoognodige boodschappen in huis. Aan de kant koffiedrinkende-midden in het gangpad bijpratende-alle tijd hebbende-boodschappers; mijn dochter huilt. Geen tijd voor een praatje met de buurvrouw, die boodschappen moeten de koelkast in, dan kan ik mijn meisje halen. Wanneer ik na een recordtijd weer in de auto zit en de oprit af wil rijden, werp ik nog even snel een blik op mijn telefoon. Hé een berichtje van mijn moeder, al driekwartier geleden, dat heb ik gemist. Och jee, die had me natuurlijk gevraagd direct te komen. Het zweet breekt me uit als ik het berichtje open. “Ze slaapt als een prinses, hoor. Doe maar rustig aan. X mam.”