Maria’s Mooie Mensen – week 26

Sommige afspraken voor de redactie groeien ongemerkt uit tot een soort van tradities. Bijna ongemerkt komen ze met een bepaalde regelmaat terug en voor ik het weet zit ik weer achter dezelfde tafel met dezelfde mensen. Hoewel het soms wel eens een nadeel is aan het runnen van een krant dat bepaalde onderwerpen ieder jaar weer komen, zoals wéér hetzelfde programma bij een feestweek, is het toch ook wel weer de kunst er elke keer weer een nieuwe draai aan te geven en krijg je de kans om als je regelmatig ergens aandacht aan besteedt, ook de ontwikkeling hiervan mee te maken. Grijpskerker Koos van der Goot zie ik ieder jaar met zijn band Flannery groter en groter worden. Van een paar optredens en de eerste nummers tot inmiddels tripjes naar grote buitenlandse festivals. Het leuke is, Koos ken ik al van voor de band Flannery, want die zette ooit zijn eerste journalistieke stappen voor de Streekkrant. Terwijl hij destijds de redactie runde en daarmee altijd vrij druk was, was ik toen nog een echte student; bezig met hard studeren maar ook hard genieten van het leven. Met een schuin oog bekeek ik dat geploeter van Koos met de daarbij passende outfit van het jasje waarin je hem kon uittekenen, hoorde ik verhalen over raadsvergaderingen en lokale politiek welke toch wat ver af lagen van mijn huisetentjes en kroegbezoekjes, en concludeerde voor mezelf vaak maar één ding: saai. Dat ik later nog eens in zijn schoenen zou stappen qua functie had ik toen nog niet durven dromen. Dat Koos zoveel op het podium zou staan als hij nu doet met Flannery, had hij waarschijnlijk al wel in het vizier. Want onder dat jasje schuilde toen al een podiumdier dat uiteindelijk ook de redactie verruilde om onder andere het toneel op te gaan met zijn gedichten. Pas later kwam Flannery in beeld. En kwam er een soort van jaarlijkse regelmaat in onze afspraken, ik dit keer in ‘zijn’ rol van redacteur, hij als zanger van de band. Ten tijde van onze eerste afspraak was Flannery pas van start. Ietwat wantrouwig hoorde ik de verhalen aan van Koos. De band was uniek, ja dat kon ik zien aan de outfits en zeker ook terughoren in de muziek, maar of het ook zo gewild was als de heren voor ogen hadden, vond ik nog moeilijk te peilen. Zouden er zoveel mensen warmlopen voor heren in kilts die een mix van vrolijke celtic folk rock spelen en daarbij ook nog eens een theatrale show neerzetten? Ik gunde het hem wel, Koos die eigenlijk altijd van alles had gedaan, misschien wel een beetje zoekende was geweest, maar nu claimde zijn bestemming te hebben gevonden. Het enige smetje op zijn bestaan destijds: dat verrekte callcenter waarin hij moest blijven ploeteren om in het bestaan te voorzien. Een jaartje later zat ik opnieuw in Grijpskerk. Opnieuw zag ik beelden van de band, opnieuw hoorde ik verhalen over hoe uniek ze zijn en opnieuw sprak Koos over zijn bestemming. Dat ik net zwanger nogal moeite had de koffie weg te krijgen, had Koos niet in de gaten: nog altijd druk dromend over het gedag zeggen van dat callcenter. Binnenkort ga ik weer; beiden weer een jaar achter de rug, voor mij vol privé-actie, voor Koos vol Flannery-actie. Vorig jaar deed hij me een belofte: ‘komend jaar zijn we weer een stuk verder’. Ik heb het hem een heel jaar helpen hopen. Eens kijken of hij die belofte kan inlossen. En of hij nou eindelijk dat callcenter gedag heeft kunnen zeggen.