Maria’s Mooie Mensen – week 30

Hoewel ik best wel heel erg bang ben voor slangen, zelfs zo erg dat ik het slangenverblijf in Artis even oversla, en ook geen fan ben van spinnen, maar toch regelmatig moet pakken omdat manlief er ook niks mee heeft, vallen deze angsten in het niet bij de allergrootste angst. Maar één vrees kan kippenvel op mijn armen toveren, kan me doen stilvallen middenin een goed gesprek en kan een schaduw gooien over de meest zonnige dag. Het is de angst mijn dierbaren te verliezen. Tuurlijk, mijn opa en oma en ouders zullen zeer waarschijnlijk eerder overlijden dan ik, maar zonder manlief of mijn kleine meid te moeten leven, lijkt me een onmogelijke opgave. Toch is deze vrees voor de nabestaanden van maar liefst 193 Nederlanders afgelopen week waarheid geworden. Oma’s die opeens geen oma meer zijn, ouders die hun kinderen verliezen en kinderen die als enige overblijven van het gezin; hoe wreed kan het leven zijn. Of zij ooit weer zullen lachen als ze hebben gedaan en kunnen genieten als voorheen, dat vraag ik me af. Ik vergeet nooit weer dat ik bij iemand was die haar dochter had verloren. Toen zij koffie ging halen, gunde ik mijn ogen even de kost in haar woonkamer. Een gewoonte die ik me al vanaf het begin dat ik schrijf heb aangewend. Een woonkamer zegt vaak veel over een persoon, van de boeken tot de schilderijen en soms al de gebruikte kleuren; ik mag graag even een beeld scheppen voor mezelf. Dit keer viel mijn oog op een prachtige glazen kast met daarin ruimte voor een aantal gekoesterde spulletjes. Eentje was de foto van een prachtige meid, breed lachend op de foto. Hoewel het bloedheet was die dag, ging er een rilling over mijn rug toen ik even later hoorde dat juist die meid, die zoveel leven uitstraalde op de foto, er niet meer was. Had het leven nog de glans voor haar dierbaren als voorheen: nee. Was de pijn ooit gesleten: nee. Ja, er werd weer wat gelachen, er werd weer geleefd en er werden dingen ondernomen; maar niks was meer zoals het was. Het meest is me bijgebleven hoe verschrikkelijk moeilijk het voor haar was om weer de deur uit te gaan. Niet omdat ze op iedere hoek van de straat herinnerd werd aan haar dochter, maar omdat anderen niet wisten hoe ze moesten reageren en haar daarom zoveel mogelijk uit de weg gingen. In plaats van een knuffel kreeg ze een rug toegedraaid, in plaats van naar haar toe te komen, liepen mensen snel de andere kant op. Onlangs was mijn collega terplekke tijdens het drama met de ingestorte dug-out in Twijzel. Ook dat hoort bij de journalistiek: verslag doen van de donkerste dagen van het leven. In één zin verwoordde ze ’s avonds heel treffend haar gevoel: ‘dat je het op zo’n hete dag zo koud kunt krijgen’. Laten we proberen de kou weg te nemen voor al die nabestaanden die zonder hun geliefden door moeten. En laten we proberen die kou geen kans meer te geven zo in het leven te dringen. Doe mij maar slangen en spinnen; alles beter dan zonder mijn geliefden te leven. Mijn dochter moet nodig uit bed gehaald worden, dus ik ga haar eens een dikke knuffel geven.