Maria’s Mooie Mensen – week 31

Afgelopen week had ik een prachtig telefoongesprek voor een andere krant. Zo eentje dat ik als ik ophangt een lach op mijn gezicht heb. Zo eentje dat ik tien minuten later nog eens in de lach schiet. Zo eentje dat ik later tegen manlief zeg: ‘ik had een mooi mens aan de lijn vandaag’. Zo eentje die absoluut in mijn column moet.
“Ach u wilt wat over mij schrijven? Voor in de Krant? Nou, dat kan dan wel. Ja, dat heeft u goed gehoord, ik heb de Nijmeegse Vierdaagse nu voor de twintigste keer uitgelopen. U moet wel weten: ik ben een échte enthousiaste Vierdaagse-loper hoor. Ik raak er niet over uitgesproken, maar dat zult u wel merken. Ja, ik ben inderdaad niet de jongste, maar hoort u eens, mijn leeftijd wil ik ab-so-luut niet in de krant hebben. Dat vind ik niet nodig. Bovendien, ze noemen het dan oud, maar ik voel me niet oud. Ik voel me een jaar of zestig; dat ís ook nog helemaal niet oud. Lopen doe ik nog elke dag. Ik heb sowieso nog genoeg te doen, hoor. U heeft geluk dat u me treft, ik ben bijna nooit thuis. Er is nog zoveel te doen. Ik bridge en ik zing in twee koren. Maar goed, het lopen dus, dat doe ik ook nog. Elke dag een klein rondje maar hoor; een kilometer of vijf à tien, niet zo ver. Pas in januari begin ik met de lange afstanden. Maar die hele voorbereiding, dat is echt het minste. Maar goed, de wil is er en dan gaat het vanzelf. Waarom ik zo gek ben van de Vierdaagse? Nou, ik ben geboren en getogen in Nijmegen. Mijn moeder ging al met me bij de finish kijken toen ik nog maar een heel klein meisje was. En die roots, die blijven trekken hè. Hoe ik in het noorden terecht ben gekomen? Dat is een heel ander verhaal. Maar nu gaat het over de Vierdaagse. Want u moet begrijpen, ik zit er nog helemaal vol van. Ook dit jaar is het goed verlopen. Wel jammer van die vliegramp, want er was geen muziek bij de finish. Normaal word je dan echt die laatste tien kilometer gedragen. En ja, ik loop alleen. Maar wij zeggen altijd: ‘you’ll never walk alone’. Je bent toch zeker met 43.000 anderen? Het is net één grote familie. Er is zo’n verbondenheid. Bovendien, ik ken er nogal wat mensen. Ik zit ook in allemaal besturen daar. Dus ik heb onderweg genoeg te praten. Ik kan u wel zeggen: bij leven en welzijn ben ik er volgend jaar weer bij. Het is gewoon een verslaving. Én een kick. Nou, u heeft vast wel genoeg. U maakt er wat moois van? Nou u doet uw best maar.”