Maria’s Mooie Mensen – week 34

Iedere week rijd ik een aantal keren naar mijn moeder. Achterin pruttelt dochterlief, de muziek die ik al draaide toen ze nog in mijn buik zat, speelt opnieuw. Ik kom door een klein dorpje waar een mooie boerderij altijd weer mijn oog trekt. Op de heenweg rijd ik langs de achterzijde, terug rijd ik er recht op aan. Altijd is het er netjes, plantjes mooi verzorgd in de vensterbanken, het gras netjes gemaaid. Met bewondering keek ik altijd naar de servieskast in de voorkamer; altijd keurig en netjes. Het huis oogt gezellig en warm; deze mensen moeten wel gelukkig zijn, want het geluk straalt door de ramen heen. Extra leuk vond ik te zien dat de servieskast plaats maakte voor een box en bovenin achter de ramen een witte wieg werd geplaatst. Iedere week reed ik er meerdere keren langs en iedere keer kreeg ik een klein inkijkje in het leven van deze anderen. Het voelde bijzonder; het leek wel zo’n kijkdoosje waar ik telkens een korte blik in wierp en telkens wat anders gebeurde. Ik zag hoe de baby boven werd gehaald of hoe hij de kans kreeg te zien dat het regende. Andere dagen danste zijn moeder met hem door de kamer, werd hij gewiegd tot hij sliep of getroost als hij verdrietig was. Het geluk bleef consequent door de ramen stralen. Dat geluk kende ik maar al te goed; het zat bij mij vaak tastbaar achterin mijn auto. En terwijl mijn meisje groeide, steeds meer mens werd en de huiltjes plaatsmaakten voor lachjes, groeide het kereltje in dit huis ook gestaag, speelde in de box in plaats van er in te liggen en mocht hij mee naar buiten. Twee weken lang reed ik niet langs het huis toen ik op vakantie was en juist in deze twee weken veranderde alles voorgoed. Het kleine mannetje, omringd met zoveel liefde en zorg, heeft nooit de kans gekregen het mooie mensje te worden wat hij zou zijn. Slechts vier maanden oud was hij, toen zijn moeder hem levenloos in bed vond. Sindsdien straalt het huis niet meer. De bloemetjes hebben moeite hun hoofd omhoog te houden, ook de pony’s staan er treurig bij. De servieskast heeft lijdzaam zijn plek weer ingenomen, maar daar boven, daar staat nog altijd het witte wiegje. Elke keer rijd ik er langs en krijg weer kippenvel bij de aanblik van dat keurig gestreken hemeltje en de gordijntjes die met zorg zijn uitgezocht. Misschien zou het kereltje later wel bij mijn kleine meid in de klas hebben gezeten, hadden ze ruzie gemaakt of misschien waren ze stiekem verliefd geweest. Ik rijd elke week langs het huis en hoor mijn meisje achterin weer pruttelen. Zij is weer groter en mooier en telkens weer een beetje meer mens. Onverteerbaar is het dat dit een ander wordt afgepakt. Het huis mist zijn glans, de wieg zijn inhoud. Er straalt geen geluk meer uit de ramen.