Maria’s Mooie Mensen – week 43 – 2014

Ik ga deze week eens op de ouderwetse toer. Want hoffelijk zijn, en daar wil ik het eens over hebben, is tegenwoordig misschien wel ouderwets. Wie de betekenis op zoekt in de Dikke van Dale ziet niks meer dan ‘beschaafd, beleefd’ staan. Dat stelt me gerust, want die twee termen zie ik meer om me heen dan dat gevoel wat hoffelijk me geeft. Het gevoel waarvan ik me wel eens afvraag of we dat over twintig jaar nog kennen. Of zal dochterlief me later uitlachen: ‘wat is dat, hoffelijk?’. Maar goed, afgelopen week dus, was ik eens onderweg zonder te laat te zijn voor een afspraak, had ik niet de behoefte alle binnen-door-weggetjes te nemen en reed ik gewoon gezellig met dochterlief naar huis, toen we een wegversmalling naderden. Een auto kwam van de andere kant en het verkeersbord gaf voor hem toch echt een witte pijl aan, dus ik wachtte keurig. Túúrlijk: als ik had gewild, had ik er misschien wel even snel langs kunnen glippen, maar op zich was het niet zo bijzonder van mij dat ik keurig wachtte. De bestuurder van de andere auto dacht er anders over en zwaaide vriendelijk naar mij bij het passeren. Even meende ik dat ik blijkbaar een bekende over het hoofd had gezien, maar toen bedacht ik me dat deze meneer me bedankte. Blijkbaar vinden we het al niet meer normaal dat we voor elkaar wachten zoals het hoort bij een wegversmalling. Het woord hoffelijk schoot voor het eerst die week door mijn hoofd. Zou ik, vrouw van dertig jaar, jonge moeder, onder die term kunnen vallen? Wie er in elk geval niet onder viel was die vrouw van dertig jaar, jonge moeder, die ik later in de week door een speelgoedwinkel zag struinen. Aan haar klaagzang richting haar twee jongens – dat niemand om haar dacht terwijl zij met twee tassen en een hond al een kwartier achter de heren aan moest sjouwen omdat die zo nodig een spelletje moesten kopen- was niks hoffelijk. En niks logisch overigens. Zet twee jongens van een jaar of negen tussen de nieuwste games en er is even niks anders waar ze oog voor hebben. Maar goed, ik zocht een cadeautje tussen al dit geweld en had me even verkeken op het feit dat het herfstvakantie was. De speelgoedwinkel bleek gevuld met moeders vol klaagzangen en oma’s die hun logerende kleinkinderen verwenden. Zelf kocht ik een te groot, maar volgens de verpakking zeer educatief-verantwoord, cadeau voor het dochtertje van mijn beste vriendin, waar de jongeheer achter de kassa met verbazing naar keek. De verbazing maakte plaats voor een blik van wanhoop toen ik vroeg of het ingepakt kon worden. De man achter mij in de rij zag de bui al hangen en vroeg of hij eerst even snel zijn pakje kaarten voor precies twee euro mocht afrekenen. De munt lag al klaar op de toonbank. Aangezien ik met dochterlief op pad was en alles met een kind erbij toch tien keer zo lang duurt, was het mij om het even. Meneer bedankte mij, ik zei dat het geen moeite was. We lachten vriendelijk naar elkaar. Of was het hoffelijk? De jongen achter de toonbank keek de man eens na: “een beetje een vreemde man”, vond hij. Even wilde ik een betoog afsteken over hoffelijkheid, maar besloot deze toch maar te bewaren voor dochterlief. Zodat zij me later niet hoeft te vragen wat dat eigenlijk is.