Maria’s Mooie Mensen – week 44 – 2014

Mijn dochter, inmiddels bijna elf maanden oud, is nog nooit ziek geweest. Waar ik voor haar komst met horror aanschouwde hoe bij anderen eerst de kinderen ziek werden, toen de ouders voor pampus lagen en het gezin dit ritme de hele winter door herhaalde, lach ik tegenwoordig weer om griepjes, verkoudheden en andere ellende. Zelf ben ik zelden tot nooit ziek en ook manlief kan zich de laatste keer dat hij zich echt ziek mocht noemen nog amper heugen. Dochterlief heeft naast een goede basis met vier maanden borstvoeding blijkbaar hetzelfde sterke gestel en zou dus ook niet weten wat ziek zijn eigenlijk is. Geen wonder dat ik daar als moeder ook totaal niet mee bezig ben. Toen ik laatst een soort van bultje op haar oor ontdekte, dacht ik in eerste instantie aan een muggenbult. Een dag later ontdekte ik er nog één en weer een dag later nog één. In plaats van dat de moederlijke alarmbellen af gingen, verwonderde ik me vooral over het feit dat er blijkbaar toch telkens een neefje in haar kamer zat. Pas toen er nog meer bultjes verschenen, viel opeens een muntje: ze kan weleens wat onder de leden hebben. Het viel helemaal samen met mijn vermoeden dat het zwembad waar we de week ervoor waren geweest, een broedplaats van bacillen was. In gedachten liep ik er nog eens doorheen en herinnerde me weer levendig de andere kinderen met snotneuzen die erin zwommen en de vloer van het peuterbadje die niet echt lekker schoon was. Oké, het kon dus weleens één van de kinderziektes zijn, maar wat? Er bleken een vijfde en zesde ziekte te bestaan, wat manlief overigens niet eens wilde geloven in eerste instantie, maar beiden vielen al snel af. Het leken geen waterpokken en uitslag van het eten leek me gezien wat zij de laatste maanden al lekker heeft weggegeten zonder enig probleem, ook geen optie. Google bood uitkomst: het leek wel heel sterk op rode hond. Begint bij de oren: check, vaak zonder echte ziekteverschijnselen: check en pas voor ingeënt bij veertien maanden: dus een optie. ‘Jaarlijks zijn er ongeveer vijf meldingen van rode hond per jaar’, lees ik. Hebben wij zeker weer: we hebben nooit wat, maar als we wat hebben dan maar direct iets unieks. Waren we ook nog eens net een midweekje naar de Veluwe geweest. Ik had al visioenen van een hele bible-belt waar een epidemie zou uitbreken. Het werd dus tijd de huisarts te bellen en na de twee woorden ‘rode hond’ konden we zowaar direct terecht. Die wilden natuurlijk ook wel de boeken in als één van de vijf dit jaar. Waar ik zelf een hekel aan artsen en alles wat daarbij te maken heeft, heb, leek dochterlief nooit beter op haar plek. Ze ging er eens goed voor zitten, draaide keurig haar oren toe en heus: mevrouw opende zelfs haar mond toen dat nodig was. Zo’n bezoekje gaf zelfs mij weer moed om eens naar de huisarts te moeten. Voorlopig zal dat wel een beetje meevallen. Dochterlief bleek geen rode hond te hebben en mag zich nog altijd ziektevrij noemen. En hoe leuk zij het ook vond bij de huisarts, ik denk dat we deze lijn maar doorzetten.