Maria’s Mooie Mensen 236

Ik had een droom en in ons huishouden is het zo: als het enigszins mogelijk is, moet je je dromen lekker verwezenlijken. Ik wilde graag een bakfiets. Vroeger al, toen ik manlief nog maar net kende en nog totaal geen kinderen had, grapte ik al dat ik een bakfiets zou nemen om met onze toen nog toekomstige kinderen te gaan fietsen. Ik ben namelijk niet bepaald een groot fietstalent en met een kind op een gewone fiets leek me destijds doodeng. Dat bleek mee te vallen en sinds oudste dochterlief er was, pakten we heel regelmatig samen het stalen ros. Toen ze voorop zat, ging dat zonder problemen, maar achterop ervaarde ik alweer als pittiger met als dieptepunt een uitglijder van de fiets; mama er al af, maar kind zat nog in het zitje en schreeuwde moord en brand om haar vader. Toen er ook nog eens twee meisjes bijkwamen, werd die droom van die bakfiets hardnekkiger. Qua mobiliteit word je nogal beperkt met een tweeling, dus het leek me heerlijk dat weer ietwat te kunnen uitbreiden met zo’n fiets. Iedere middag dat de dames jengelig waren en peuterdochter absoluut niks wilde wat ik wilde, wenste ik dat ik een bakfiets had. Vastzetten die handel en gaan maar. Absoluut het beste remedie voor vervelende kinderen. En zoals gezegd: dromen moeten verwezenlijkt worden en dus kreeg ik mijn bakfiets. Een prachtig exemplaar met zilveren frame, beige banden en een degelijke bak. Een droom om te zien en vol blijdschap keken oudste dochterlief en ik van tevoren filmpjes van blije vrouwen die erop rondfietsen alsof het niks is. Kinderen zaten te lachen in de bak, de mama’s manoeuvreerden het ding met het gemak van een SUV overal naartoe. Ja, dit zou fantastisch worden. Op een mooie zonnige middag werd hij geleverd. Direct erop wegrijden kon nog niet, want er moesten nog zitjes voor de dames geïnstalleerd worden, maar mijn meisjes en ik waren er niet weg te slaan die middag. En toen volgde dan eindelijk dat eerste ritje. Dat het wat frisser was, mocht de pret niet drukken. Iedereen op zijn plek, vastsjorren maar en daar gingen we. Daar gingen we regelrecht richting de heg van de buren. Het kwam geenszins in de buurt van de blije filmpjes die we vooraf bekeken. Mama had continu het gevoel de verkeerde kant op te moeten sturen en zweette peentjes. Wij zaten niet blij liedjes te zingen samen; ik kwam niet verder dan een ‘oh wat eng’ en ‘oh wat moeilijk’. Toen ik ons tijdens een tweede ritje bijna lanceerde over een verkeersdrempel volgde een slapeloze nacht waarin ik mezelf de vreselijkste dingen zag doen met die bakfiets. De droom werd een nachtmerrie en de bakfiets bleef onaangeraakt. Ik belde zelfs manlief met de boodschap dat het ding maar weer weg moest. Maar goed, van opgeven wil ik eigenlijk ook weer niet weten, dus langzaamaan hervat ik mijn training. De kinderen vinden het prachtig en oudste dochterlief laat me weten dat ik ‘het heus wel ga leren’. Ongetwijfeld, maar voorlopig kom ik even niet verder dan het fietspad op en neer.