Maria’s Mooie Mensen 244

Van die ouders die het allemaal niks uit maakt of hun kinderen doen wat ‘hoort’; zó zijn wij dus niet. Het is fijn te zien dat je kinderen zich ontwikkelen en het is nog veel mooier te zien dat zij daarin niet achter blijven. Helemaal als je zoals in ons geval de kinderen toch iets te vroeg op de wereld hebt gezet – sorry dames – blijft de zorg of ze hier niks aan over houden. Na het kruip-debacle wat inhoudt dat kruipen in dit huishouden niet gebeurt, is het nu tijd voor de eerste stapjes. En nou zouden wij natuurlijk kunnen stellen dat het ons niet boeit wanneer die dames gaan lopen en ze dat vanzelf wel eens gaan doen, maar zo zijn we gewoon niet hier in huize Wijnands. Nee, wij willen niks liever dan dat de dames gaan lopen zodat het vele rondsjouwen eindelijk voorbij is. Weg rugklachten en last van de nek; het is zo langzaamaan tijd om eens te gaan herstellen. De dames zelf zijn wel de belangrijkste reden waarom dit lopen eens serieuze vormen aan moet gaan nemen, want: het is frustratie alom hier. Zittend spelen is ‘not done’ voor ze, op de buik al helemaal geen goed idee, want op de been zijn is alles wat ze willen. Via de bank, de tafel, de kasten en de muren weten de meisjes inmiddels overal al te komen. En snel ook. Regelmatig sta ik verwonderend te kijken naar de positie van één van de meisjes terwijl ik in gedachten probeer te reconstrueren hoe ze daar wel niet gekomen moet zijn. Van de kachel is een eetkamerstoel net binnen bereik, ze kan dan weer via de box naar mijn werkplek en komt zo door de keuken heen weer bij haar eigen speelkeukentje om vervolgens als een ware actieheld op een bergtop bijna vastgeplakt met haar lichaam tegen de hoge kasten aan door te schuiven, zodat ze uiteindelijk bij de speelplek van haar grote zus aan belandt. Die als ze mazzel heeft niet daar is, maar dan waarschijnlijk niet veel later zal constateren dat íemand daar ‘héél véél troep’ heeft gemaakt. De dader heeft dan meestal alweer haar route vervolgd door onderweg één van de geparkeerde loopkarren op te pikken en zo weer aan te belanden bij de bank waar ze haar tweelingzus meestal vindt. Die is iets minder reislustig, maar evenmin niet meer van de benen af te krijgen. Samen spelen ze tikkertje langs de rand van de bank gepaard met een hoop gegiebel of ze doen een eigen variant van verstoppertje waarbij ze zich verstoppen achter de hogere achterkant van de bank om vervolgens luid ‘bah’ te roepen naar elkaar. Het leven is heel leuk op de been, tót die frustratie weer intreedt en de handjes omhoog gaan en het roepen naar mij serieuze vormen neemt. Neem me mee, smeken de ogen, pak mijn hand, zeggen die uitgestoken handjes, want écht rondlopen is het summum. Mijn benen worden aangeklampt als ik ook maar even de fout maak in de buurt te blijven staan, mijn handen worden vastbesloten gegrepen. Maar oh wee degene die ik achterlaat, die zal het me onherroepelijk het eerste kwartier niet meer vergeven, totdat ik degene met wie ik rondloop dus maar omwissel voor haar zus en de volgende al mopperend en huilend dus achterlaat. En dan opeens staat ze daar middenin de kamer, haar jurkje gespannen in handen, in alle rust stapjes te zetten. Ik kijk op en zie haar gaan en zij kijkt me tevreden aan. Er is geen mooier moment dan die allereerste stapjes. En het leuke is: ik kan het twee keer meemaken. Ik verheug me nu al op de volgende.