Maria’s Mooie Mensen 256

Mijn dochters kan enig gevoel voor toneel en dus drama niet ontzegd worden. Het is dan ook regelmatig even aftasten of een werelddrama ook echt een werelddrama is, of dat het toch louter aandacht, vermoeidheid of aandacht is. Regelmatig roept oudste dochter moord en brand en blijkt dat het dan best wel een beetje meevalt. Op een minne dag, zo eentje dat ze het liefst de hele dag lamlendig voor de televisie hangt, is alleen al het wijzen naar haar een reden om in huilen uit te barsten. Laat staan dat haar kleine zusjes achter haar aan lopen of zelfs aan haar komen, dan klinkt het al snel: ‘mamaaa, ze zit aan me. Ze zit aan mijn haaaaaaar’. Nuchter probeer ik het maar immer weg te wuiven met de opmerking: ‘ze vindt je haar zo mooi’ en daarbij probeer ik niet te hard te lachen, want dat is op dit soort dagen ook uit den boze. Eén van mijn jongste dames is een vreselijke knokker die niet snel opgeeft, maar zodra ze onderuit gaat, laat ze snel en hard van zich horen. Soms valt ze echt lelijk, meestal is er helemaal niks aan de hand. Maar alleen de frustratie al dat niet lukt wat ze in haar hoofd had, is genoeg om even boos de tranen tevoorschijn te toveren. De andere echter, hoor ik niet zo vaak. Die kan wel heel boos zijn bij tijden, maar sinds ze loopt, is dat al een stuk makkelijker geworden. De grootste frustratie is eraf en als ze nog eens in zo’n woedebui vervalt, pak ik gewoon haar hand en rennen we een rondje door de kamer. Tot nu toe succes gegarandeerd, maar ik vrees wel dat er vanzelf een moment komt dat ik meer uit de kast moet trekken om mevrouw uit haar boze momentje te halen. Afgelopen week was ze niet per se boos en zaten de tranen ook nog niet eens zo hoog. Des te meer was ik gealarmeerd toen ze het deed voorkomen alsof het lopen niet lekker ging. Het begon al met de schoenen, die ze écht overal uitdeed. Erop lopen: no way. En dus brak ik me nek een aantal keren over een rondslingerend schoentje en zag ik in mijn ooghoeken een klein meisje scheef langshinken met één schoen aan en eentje uit. Het duurde maar even of ze deed er een stapje bovenop. Ze ging het kruipen boven het lopen verkiezen en weigerde op de benen te staan. Vol gevoel voor drama liep ze nog wel naar me toe, om daar aan mijn voeten te storten en de handen in de lucht te heffen. De ogen smeekten: til me op. Eenmaal op eenzame hoogte op mijn arm leek ze nog net niet te spinnen van plezier. En dát deed me twijfelen aan de oprechtheid van haar klachten. Maar eerlijk is eerlijk, het lopen leek moeilijk te gaan en toen ik meerdere keren zei: laat mama maar zien wat er is, wees ze pijnlijk naar beneden en produceerde een hele echte ‘au’. Na twee dagen met zeker twaalf kilo op de arm was ik er wel klaar mee en tijdens een dagje weg bleek mevrouw in elk geval in staat vrolijk (en hard) weg te lopen van ons, dus ik concludeer dat het nu weer goed gaat. Als het al ooit niet zo goed was. Nu maar hopen dat de andere twee dit trucje niet hebben opgepikt.