Maria’s Mooie Mensen 273

Het is op de kop af exact vijf jaar geleden dat manlief en ik de Afsluitdijk overstaken. We reden een klein dorpje in, kronkelden door een hofje en vonden in een klein huisje met aan de buitenkant een felgele M&M die getooid met Kerstmuts aan een touw de woning leek te beklimmen onze bestemming. Binnen krioelden tussen de glazen tafels, marmeren zwanen en een waterpijp een aantal piepkleine katjes. Er lagen ook overal en nergens volwassenen exemplaren, van bovenop het enorme aquarium tot in de toch al overvolle bijkeuken. Achter de tuindeur blaften drie uit de kluiten gegroeide bulldogs, in de hal stonden de dozen van de visafslag want meneer was visboer. Twee dames zocht ik uit om mee te nemen, twee van die heerlijk zachte bolletjes, felblauwe oogjes beiden en zo lief. Na een lastige tijd met giardia – een darminfectie, ik zal u de details besparen maar ik weet nog als geen ander hoe we de dames twee keer per dag moesten wassen – hadden we er makkelijke en lieve katten aan. Pippa en Zus hadden we ze genoemd en vooral onze Pip bleek een echt knuffeldier. Ze lag als klein mormeltje wel in onze nek, lag toen ik zwanger was boven op mijn dikke buik en week niet van het wiegje toen onze meisjes klein waren. Elke ochtend haalde ze samen met mij de kinderen uit bed. Soms zat ze al uren voor de slaapkamerdeuren te wachten en mauwde ze ongeduldig naar mij. Als de deur dan los ging, moest en zou ze bij de kinderen in bed, waar ze zich dan uitgebreid liet knuffelen en aaien en de meisjes op haar manier beloonde met uitgebreide wasbeurten. ‘Hai Pippi’ waren meestal de allereerste woorden van wie dan ook die wakker werd. Afgelopen week at onze toch al slanke wezel opeens wel heel weinig brokjes. Ze was chagrijnig, liet zich niet graag knuffelen en spuugde een keertje. Pas toen ze op Kerstavond met matte oogjes wel erg stil lag, begon ik me zorgen te maken. De Kerstdagen bracht ze bij de dierenarts die ons op de hoogte hield met berichten van weinig hoop naar zeer hoopvol naar toch weer zorgelijk. Onze lieve knuffel is ook een felle tante bij tijden en dus maakte ze het haar verzorgers niet makkelijk. Eten weigerde ze pertinent en ja, dat is nou eenmaal essentieel voor een goed herstel. Zwakke en zieke nieren, geen enkele reserve; het werd haar allemaal fataal. En waar ik van te voren dapper zei: ‘het is maar een kat en ook die gaan dood’, brak toch mijn hart toen de dierenarts belde met slecht nieuws. De kinderen gingen er super mee om: oudste dochterlief opperde dat we een nieuwe kat konden kopen en die ook gewoon weer Pippi konden noemen; de jongsten voegden alvast daad bij woord en noemden Zus gewoon stug Pippi. Zus zelf bezocht haar trouwe maatje nog eenmaal en besloot te gaan genieten van alle onverdeelde aandacht. Alleen mama was de enige die tranen met tuiten huilde. Wat een waardeloze week. Het was maar een kat, maar wat een gemis.