Maria’s Mooie Mensen 274

Graafmachines en mannen in fluorescerende jassen namen onlangs bezit van het kleine dorpje waar wij wonen. Na fanatiek lobbywerk van een aantal dorpsgenoten liet onze glasvezel-thermometer een 90% zien en het werd tijd dat de schop de grond in ging. Nog even en wij wonen dan wel in een soort van landelijk gebied met het daarbij behorende manco van slecht mobiel bereik en geen boodschappenservice die ons wil voorzien, maar wel met de luxe van het supersnelle glasvezel onder onze zoden door. Voordat díe klus geklaard is echter, staat het dorp wel wat op zijn kop. Die glasvezel namelijk moet langs de weg worden aangelegd en daarvoor werden één voor één alle opritten eruit gehaald. Zo kon je nog prima op pad en zo lag er een diepe geul waar een auto in elk geval onmogelijk over heen zou komen. In het kader van goede voorbereiding besloot ik op tijd even polshoogte te nemen toen ik de graafmachine dichterbij ons huis zag komen. Het bleek al snel lastig communiceren met de gestaag werkende heren. Een mix van Pools, Turks en Marokkaanse werknemers leken onderling al niet altijd even makkelijk te kunnen praten en dus snapte het merendeel al helemaal niet wat ik nou eigenlijk van ze wilde. En dat was best simpel: tot wanneer kan ik mijn eigen oprit gebruiken, want anders ga ik mijn auto aan de weg zetten. Ik besloot simpelweg het zekere voor het onzekere te nemen en mijn auto hoe dan ook maar even langs de weg te zetten. Geen gek idee want even later werd er alsnog aangebeld: de oprit ging eruit. Dát was dus ook mijn vraag. Fanatiek werkten de heren vervolgens door. Regen en kou mochten geen excuus zijn en tot in het donker nog werd er gebikkeld. Bij de brievenbus aan het einde van de dag wierp ik een blik op de troosteloze geul. ‘Jaa mevrouw’, lachte één van de werknemers, ‘het is nog niet klaar’. Ze hadden er een zware dobber aan verklaarde hij, alhoewel niet in die bewoordingen. Voorzichtig informeerde ik naar de dag erna – je kunt toch maar beter weer proberen voorbereid te zijn. ‘Ik laat jou weten’, zei de beste man, waarop ik vertelde niet de hele dag er te zijn. ‘Wat moet jij doen dan? Werken? Jullie Nederlanders alleen maar werken, werken, werken’, lachte hij. Verbouwereerd keek ik hem aan: ‘waar kom jij weg dan? In Turkije moet je toch ook werken?’ Lachend beaamde hij mijn conclusie. ‘Maar hier veel meer werken. De kinderen willen alles. Kom ik thuis, vragen ze mij: papa heb je chocola meegenomen, is er chips?’ Hij haalde zijn telefoon erbij en liet me twee prachtige meisjes zien: ‘ik heb een tweeling’, verklaarde hij trots. Uiteraard kon ik niet achterblijven. De dag erna werd er goed voor me gezorgd. Tot de kleinste details werd ik op de hoogte gehouden. En toen de kabel van onze huidige leverancier werd geraakt, was ik een dankbaar slachtoffer om telkens te testen of de telefoon of tv het al weer deden – nooit een keer. Opnieuw wachtte de heren een lange dag, opnieuw was het alleen maar regen wat uit de hemel viel, maar ze klaagden niet. Toen de bak-manie die dag bezit had genomen van oudste dochterlief en mij tot ietwat veel resultaat had geleid, wist ik wel wie ik blij kon maken. Trots bracht ze de man een in plastic verpakt bordje met chocolade-brownie: voor jouw tweeling. Lachend zette hij zijn muts weer op en probeerde onze modderige tuin weer een beetje netjes achter te laten. Als ik me niet vergis, mompelde hij nog wat over gekke Nederlanders.