Maria’s Mooie Mensen 282

Het was voorjaarsvakantie en oudste dochterlief had dringend wat één-op-één aandacht en nieuwe kleren nodig, dus het was helder: wij zouden gaan winkelen. Aangezien donderdag dé dag was dat ik de kleintjes kwijt kon, leek het een perfect moment voor moeder en dochter om de stad eens onveilig te maken. Totdat de temperatuur tot een dieptepunt zakte en de gevoelstemperatuur daar een schepje bovenop deed. Als echte winterhater zie je mij niet snel buiten bij temperaturen onder nul laat staan dat ik eens gezellig door de winkelstraat zou gaan slenteren. Tijd voor nieuwe plannen en aangezien mijn meisje mocht kiezen werd het de binnenspeeltuin. Een droom voor elk kind, een nachtmerrie voor de meeste ouders. Lang geleden deed ik ooit eens een schamele poging een binnenspeeltuin te bezoeken die strandde na een uur toen mijn kind probeerde achtereenvolgens haar been, haar pols en een vinger te breken. Ze was destijds twee, kwam nog niet verder dan de peuterhoek en had er na een uur ook wel tabak van. Dit keer was alles anders. Met grote ogen bekeek ze het mega-klim-spring-en-glijbaan gevaarte wat er was en er kwam een lach op haar gezicht. Alleen bleek het klimmen nog niet mee te vallen. Hopeloos bungelde ze aan de plateaus en het lukte haar maar niet zichzelf op te drukken en de benen erop te zwaaien. U raadt het al: mama moest mee. Even later zag ik mezelf eerst het kind omhoog drukken om vervolgens zelf overal op te klimmen. Dochterlief haar dag kon niet meer stuk en ze plaste zowat in haar broek toen ik tussen twee rollen door moest kruipen, over netten moest lopen en ietwat groen uit de kurketrekker-glijbaan kwam. De binnenspeeltuin bleek een opéénstapeling van dieptepunten bestaande uit oma’s die op slippers rondscharrelden, moeders die ladingen latte machiato’s wegdronken en roddelbladen lazen, iets te grote jongens die de peuterspeelplaats omtoverden in terrorplaats en van de schuimrubberen kubussen moordwapens maakten en een he-le-boel lawaai. Na een uur was ik uitgeput, dochterlief was aan patat toe. De rij die slechts zes personen besloeg oogde hoopvol, maar het kostte ons toch een kwartier om bij de kassa te komen waarna ik inmiddels koude thee dronk en zij vanachter een appelsap keek hoe de andere kinderen zich maar bleven uitleven. Na bijna een half uur haalden we maar weer een thee en een appelsap en vroegen ons af of de patat uit België gehaald moest worden of toch nog ter plekke gebakken zou worden. Eén blik op mijn inmiddels in-en-in bleke en koude meisje deed wonderen voor het personeel en zowaar zaten we een krappe vijf minuten later toch nog achter een welverdiend patatje. Terwijl ik me mentaal opmaakte om nogmaals te klimmen en te klauteren ontdekte een klasgenootje mijn dochter en weg was ze. Daar stond ik dan op mijn sokken opeens totaal overbodig te zijn. Ik trok de schoenen maar weer eens aan en genoot van mijn blije kind. Tot ze bovenin zat en niet meer op de glijbaan durfde. Mama kon de schoenen weer uit doen en omhoog klimmen. Om drie uur vertrokken we weer. Zij moe maar heel voldaan, ik moe, beurs en doof.