Maria’s Mooie Mensen 284

Het dagelijkse ritje naar school haalt het slechtste in mij naar boven. Jarenlang reed ik als een dweil; een zwangerschap heeft nou eenmaal invloed op van alles en doet je autorijden geen goed. De stadia van ‘ik denk alleen maar aan kotsen’ tot aan ‘ik ben veel te dik om achter het stuur te passen’ worden gevolgd door een periode van veel te weinig slaap en dan nog eens die zorg om dat kleine frummeltje dat achter in de auto zit. Inmiddels zijn mijn meisjes en ik die periodes voorbij. De dames hebben maar één wens zodra die auto in het zicht komt en dat maken ze dan ook al kenbaar zodra de jas aan gaat: ‘mama, oh jalélé’ en ‘ti-ti-ti’. Dat betekent dat het fantastisch oeuvre van K3 weer aan moet en ik opnieuw onder het genot van de stemmen van deze meisjes richting school kan kachelen. Terwijl achterin de boel bijna afgebroken wordt en armen en benen zwaaien dat het een lieve lust is, zit er voorin iemand die op tijd in de klas moet zijn. En als zij niet mee is, betekent het dat we haar moeten halen, wat een nóg grotere tijdsdruk inhoudt. Eenmaal was ik te laat toen ze nog op de peuterspeelzaal zat en dat gezicht van zo’n meisje wat even denkt dat ze niet opgehaald gaat worden, vergeet je nooit weer. ‘Mama, jij was te laat’  moest ik nog weken aanhoren, dus inmiddels zorg ik ervoor dat ik kwart over drie hoe dan ook aan dat hek sta. Dat betekent de kleine meisjes op tijd uit bed halen, hun gemopper doorstaan, zien dat ik ze in de auto krijg, een plekje voor mijn bolide vinden en met die twee aan de hand – bij voorkeur in elk geval, want daar denken de dames zelf vaak anders over – zorgen dat ik op de juiste plek terecht kom. Geen wonder dus dat ik daar een klein beetje gestrest van wordt en het ietwat uitwerking heeft op mijn rijstijl. ’s Ochtends vroeg is het nog erger: ze moeten alle drie uit bed, in de kleren, achter het ontbijt, bakje en beker moeten vol mee, de schoenen, jassen, handschoenen en andere ellende moet aan en dan moeten we die auto nog in. Als een volleerd coureur scheur ik die drie minuten lange weg naar het dorp over. Eerst de bochten waarin je je zo in de winter echt wel even moet gedragen maar dan het lange rechte stuk waar ik lekker kan doorpakken. Even door het dorp en dan nog het deel waar echt het slechtste in mij naar boven komt: een parkeerplek vinden. Nooit geweten dat ik het in me had, maar opeens snij ik andere moeders af om mijn auto nog net in dat laatste plekje dichtbij school te proppen. Gele stoepranden waar je niet mag parkeren vallen me in de stromende regen opeens helemaal niet meer op en ik presteerde het ook al eens de auto voor me even aan te tikken. Het erge is: ik besef het me prima hoe slecht ik me gedraag, maar kan het toch niet laten. En als je dan net zo’n moeder hebt afgesneden en even later je auto uitstapt terwijl zij daar achter ook haar auto verlaat, voel je je toch even knap vervelend. Die speeldate met haar dochter kan mijn meisje voorlopig wel even vergeten. Oppassen is het ook met die klikspaan naast me die al mijn capriolen als een havik in de gaten houdt en vervolgens bij binnenkomst in de klas rustig aan juf meldt hoe de rit weer was. ‘We hebben gebotst, juf, denk je dat de politie ons nu een bekeuring geeft?’