Maria’s Mooie Mensen 293

De bibliotheek ken ik nog als een ‘gevreesd’ instituut uit mijn jeugd. Toen ik nog klein was, was dit een imponerende plek met slechts rijen vol boekenkaften en strenge bibliothecaressen. Zonder uitzondering hadden deze dames grijs haar, een leesbril op het puntje van de neus en een strenge blik. Wanneer je enigszins geluid maakte, konden ze op dwingende wijze je doen schrikken met hun ‘ssssssssssssssssssst’. Waar mijn moeder zeer graag boeken mocht ophalen, was ze wat minder goed in het terugbrengen van de epistels. Nadat we meerdere briefkaarten – zo ging dat toen nog – per post hadden ontvangen met daarop het oplopende boetebedrag reed ze dan toch naar de bibliotheek om vervolgens mijn broer en mij eruit te zetten om de boeken weer terug te brengen. Aan de balie werd ons vervolgens immer weer gevraagd ‘of wij wel wisten hoeveel te laat de boeken waren en wat we voor de centjes van de boete wel niet allemaal hadden kunnen doen’. We spraken dan overigens niet over enkele tientallen guldens, want met de vijf cent boete per dag liep zelfs in maanden het totaal vaak niet verder op dan het bedrag waarvoor broer en ik beiden een lekker ijsje hadden kunnen kopen. Met discodip dan misschien, maar veel meer ook niet. Inmiddels is de bibliotheek een toegankelijkere plek geworden. Het oogt allemaal wat vriendelijker van binnen met meer kleur én je mag er weer gewoon praten. De meeste bibliothecaressen zijn inmiddels vervangen voor vrijwilligers, vaak toch ook wel grijs van haarkleur, maar minder streng dan hun voorgangers. Onlangs trof ik toch iemand van de oude stempel die ietwat bevreesd mijn gezelschap van twee dwarse peuters en een kleuter aan zag komen. Getraind in het herkennen van ‘ellende’ zoemde ze als een bij om ons heen. Met een schuin oog volgde ze onze verrichtingen en werkte zo op mijn zenuwen dat ik prompt het verkeerde boek in de gleuf voor reserveringen gooide. Snel zette ik koers naar de boeken, die helaas niet meer volop in de rekken staan waartussen je heerlijk anoniem kan neuzen, maar voor de kleintjes op een soort van boekeneiland verzameld zijn. Eentje die zich voor dwarse peuters perfect leent voor het betere klauter- en klimwerk net zoals de bank en poefjes die her en der verspreid staan. Terwijl ik druk was het spul in het gareel te houden, vroeg een ander wanhopige moeder die voor het eerst op pad was met jonge baby en een peuter die fanatiek aan het boekjes kiezen was, mij wanhopig hoeveel boeken ze mee mocht nemen. ‘Onbeperkt’ antwoordde ik terwijl mijn kinderen de daad bij woord voegden en mij overlaadden met een stapel leesvoer. Geschrokken mengde de vrouw van de bibliotheek zich in het gesprek en probeerde mijn antwoord te nuanceren terwijl ze ook bevreesd zag hoe mijn gevolg zich richting de computer begaf. Eenmaal klaar om weer te vertrekken had ik het zweet op het voorhoofd, maar ook oogde vrijwilligster ietwat verhit. Knap genoeg had ze zich ingehouden en waar ik vroeger ongetwijfeld al een reprimande te pakken zou hebben gehad, hield deze mevrouw de lippen op elkaar. Ietwat gefrustreerd op elkaar geperst, maar toch. Alleen nog even het pasje langs de computer en dan kunnen we naar huis. En dan zal je altijd zien: het pasje vergeten. ‘Kom maar bij de balie hoor’, klonk het voldaan achter me, ‘je hebt geluk, ik kan je wel even handmatig helpen. Dat kan echt niet altijd hoor’, nam de vrijwilligster nog even haar moment, ‘dan had je gewoon naar huis moeten gaan om het pasje op te halen. En weet je wel wat je met die tijd allemaal had kunnen doen?’