Maria’s Mooie Mensen 313

In het kader van burgerbetrokkenheid komt de gemeente inmiddels vaker en vaker naar de bewoners toe. In ons dorp resulteerde dit in een bijeenkomst onlangs over de straat waaraan wij wonen. Hoewel ons dorp klein is, landelijk mag worden genoemd en er maar weinig inwoners zijn, is deze straat een bron van zorg. Vroeger was dit de enige doorgangsweg richting het zuiden en deze wordt nog door velen als danig gebruikt. Vooral in de spitsuren is het voor de deur drukker dan zou moeten. Helaas niet zou druk dat het verkeersremmend werkt en geholpen door heuse ‘race-bochten’ met extra breed asfalt om nog even gas bij te geven, worden er bij tijden bijzondere hoge snelheden gehaald. Zonder stoep moeten ook moeders met kinderwagens, kinderen uit het dorp en oudjes met of zonder huisdier van deze weg gebruik maken. Heb geen illusies door deze opsomming; ook voor de gemiddelde en fitte hardloper of wandelaar is het bij tijden een uitdaging heelhuids door ons zo idyllisch ogend dorp te komen. De gemeente stuurde ons daarom twee compleet nieuwe medewerkers zonder nog enige kennis van zaken voor een pittige avondje discussie in het plaatselijke café. Met de ene slechts een drietal weken aan werkervaring en de andere slechts een paar maandjes aan actieve inzet voor de gemeente waar wij wonen, leken ze oprecht en terecht nerveus voor de start van de avond. Zo’n avond die niet anders dan in een bloedbad kan eindigen, want zoals ik graag mag verkondigen: zoveel mensen, zoveel wensen. Als heuse ervaringsexperts mochten wij niet alleen figuurlijk op tafel gooien wat we graag zouden zien voor ons huis, maar ons ook nog eens uitleven op zeer grote prints van de straat. Mijmerend over mooie klinkertjes, misschien wat parkeerhavens, liever geen sluizen of drempels en natuurlijk die gewilde stoep, liepen manlief en ik langs de zo buiten het spitsuur eigenlijk best wel stille straat naar het plaatselijke café. Onze mijmeringen werden al na krap tien minuten de grond ingeboord toen een buur verkondigde ab-so-luut geen klinkers te willen en liever extra sluizen zag. Nog een krappe tien minuten en drie meningen verder, begonnen de jongeheren van de gemeente te zweten. En passant gooiden we als dorpelingen nog even onze wensen met betrekking tot het veel te krappe fietspad en de moeizame bewegwijzering op tafel. Kantjes vol werden er vol getekend aan aantekeningen terwijl wij bleven spuien. Terwijl de ene helft van de zaal met zichtbare tegenzin iets krabbelde op de tekeningen, was de andere helft over gegaan tot ophalen van anekdotes over die ‘beruchte’ weg voor het huis. Zo vertelde één van de buren mij dat door de kuilen in de weg er nogal wat water opspat voor zijn huis. Sommige bestuurders maakten het zo bont dat het water uit de plassen tot aan zijn ramen zeker vijf meter verder reikte. Even verslikte ik me in de toch al veel te hete thee. Mijn oudste dochterlief vindt namelijk niks mooier dan hard door die plassen rijden, waarbij wij dan zoveel mogelijk water tegen haar autoruit laten spatten. Dat we hiermee ook de huizen van een flinke plens regenwater voorzagen, had ik me niet gerealiseerd. Of de avond wat opgeleverd heeft, moeten de jongeheren nog laten blijken, maar in elk geval besef ik me wel waar al een flink stuk winst zit. Zijn het niet wij dorpsbewoners die af en aan rijden, in colonne naar de basisschool, allemaal naar het werk of heen en weer als zzp’ers. Zijn wij niet altijd nét even te laat, hebben we niet altijd haast of het veel te druk? En weten wij niet als geen ander hoe snel we door die bochten kunnen rijden? Óf… waar die plassen zo lekker opspatten?