Maria’s Mooie Mensen 314

De rek is er een beetje uit, momenteel. Nu was twee ook al niet mijn favoriete leeftijd toen mijn oudste dochter deze aantikte en consequent wegliep in winkels om zich daarna huilend op de grond te storten, maar met twee dames tegelijk door deze ‘peuterpuber-fase’ bevalt me helemaal niet zo. We gaan van een heleboel nee’s naar continu alles zelf willen doen en bepalen. Met verbazing voer ik strijd om ze uit bed te krijgen, waarna ze geen kleren aan willen, de luier mag niet verschoond en de sokken moeten immer zelf uitgekozen worden. Ze hebben voorkeur voor een eigen bord, willen allebei helpen met brood smeren en moeten uiteraard op precies dezelfde stoel zitten. Ik heb elke ochtend discussie over het tanden poetsen wat ze met hun tweeënhalf jaar heus wel zelf denken te kunnen. Dan moeten de schoenen en jassen nog aan en moeten we de auto in zien te komen. Waar ze met regelmaat thuis niet in de auto willen klimmen, weigeren ze vervolgens op plaats van bestemming juist weer eruit te komen. Op dat punt begrijp ik er al helemaal niks meer van en kan ik niet anders dan concluderen dat de ochtend met mijn meisjes me opnieuw grijze haren bezorgd. Mijn kappers blik tijdens het korte momentje voor mij alleen, spreekt later boekdelen, alhoewel hij heel verstandig na zo’n ochtend de opmerkingen maar even achterwege laat. Er zijn dagen dat ik erom lach, om zoveel dwarsheid bij zulke kleine meisjes, maar andere dagen kan ik er wel wanhopig om worden. Zelfs oudste dochterlief bekijkt haar zusjes bij tijden hoofdschuddend en vraagt me verwonderd wat er aan de hand is met die twee. Of als ik pech heb, begint ze gezellig mee te doen om zo ook zeker te zijn van een stukje aandacht. Mensen die me voorbij zien komen met mijn gezelschap en opperen dat ik er de handen aan vol heb, kunnen vaak rekenen op een veelbetekenende zucht. Kijk, die luiers verschoon ik in een handomdraai, de dames aan- en uitkleden dáár zit het werk ook niet in en een broodje meer of minder smeren is geen probleem. Maar dat karaktertje – waarmee ze het later misschien wel heel ver weten te schoppen – en dat willetje is wel ietwat vermoeiend. En dan spreek ik afgelopen week een moeder met hele andere redenen om wanhopig te worden. Iemand wiens meisje deze fase niet heeft doorlopen. Een meisje wat namelijk veel te vroeg werd weggerukt, haar moeder met lege handen achterlatend. Terwijl zij vertelt over het verdriet van zo’n groot verlies, schaam ik me stilletjes om mijn gemopper en gezucht. Ik besef me hoezeer ik moet genieten van mijn dames, de buien moet omarmen en moet lachen elke keer weer dat ze de grenzen opzoeken of van zich afbijten. Elke discussie moet ik blij zijn dat ze hun stem laten horen, dat ze een willetje ontwikkelen en een eigen smaak hebben. Ze kregen meer kusjes dan ooit de afgelopen dagen en elke woedebui eindigde misschien wel in de hoek, maar werd dan wel daarna uitgebreid weggeknuffeld. En innig tevreden hoorde ik ze ’s ochtends weer zich melden: ‘mammie, wakker!’. Ze gaan het me misschien weer een dagje lastig maken, maar ze zijn er weer.