Mariëtte de Visser half jaar wethouder in De Marne

Mariette de Visser

“Mijn leven hing er niet van af”

EENRUM/LEENS – Een half jaar zit wethouder Mariëtte de Visser (PvdA) nu in het college van De Marne. Ze stapte binnen op een moment dat de gemeente onder financieel toezicht van de Provincie Groningen kwam te staan. Dezelfde organisatie waarvoor ze jarenlang werkte. De Streekkrant blikt terug op die zes maanden en kijkt vooruit naar de ontwikkelingen in de zorg en op Lauwersoog.
Op haar eerste dag viel De Visser meteen met haar neus in de boter. “Er stond een gesprek op het Provinciehuis op het programma en wij hadden het vermoeden dat ze Proloog-geld terug wilden hebben.” Voor De Visser was het gebouw geen onbekend terrein. Jarenlang had ze er gewerkt in de ambtenarij. “Toch kwam ik andere hoofden tegen. Het was ook wel even zoeken naar mijn nieuwe rol, want ik kreeg een beetje het idee dat we tegenover elkaar stonden.”
Aan de bak mocht ze ook in haar eigen gemeente. Daar dreigde de bus niet langer door Ulrum te rijden na een wijziging van de dienstregeling. “Ik had daarbij gelijk het gevoel dat Ulrum er wel voor wilde gaan om dit plan van tafel te krijgen.” De Visser besprak het probleem op een bijeenkomst van wethouders. Waar andere wethouders vaak zeggen dat ze niet veel voor elkaar krijgen qua dienstregeling, lukt het De Visser wel. “Ik denk dat het voor dat soort zaken belangrijk is dat je affiniteit hebt met hetgeen waar je over spreekt. Ik reis zelf veel met de bus en kon zo de goede vragen stellen.” Gevolg was dat de bus nog steeds door het dorp rijdt, zoals lijn 65 ook deed.
Grote veranderingen zitten er de komende jaren aan te komen als de gemeenten allerlei zorgtaken overnemen van de provincie en het Rijk. Zorgen zijn er zowel uit de politiek als van patiëntenorganisaties. De Visser windt er geen doekjes om. “Nu gaan er ook dingen fout,” stelt ze. Om die fouten om te vangen, heeft de gemeente extra geld achter de hand. “We zijn er voor de mensen die dat het hardst nodig hebben.”
Waar ze blij mee is, is dat de huishoudelijke hulp blijft. “In het Westerkwartier zie je dat dit afgeschaft wordt. Wij gaan niet verder dan de korting van 32% die we van het Rijk op dit budget krijgen,” belooft ze. “We gaan de hulp zo goed mogelijk inzetten, zodat het straks niet gierend uit de hand loopt. Samen met de mensen gaan we kijken hoeveel hulp er nodig is. Hebben mensen hulp nodig bij het aantrekken van steunkousen, dan regelen we dat.” Het jaar 2015 moet een overgangsjaar worden. Daarna is de gemeente zelf verantwoordelijk. “Op Sociale Zaken gebeurt veel en het is best spannend. Zelf vind ik het een uitdaging, want ik ben niet iemand die op de winkel gaat passen.”
De komende jaren wil De Visser het Lauwersmeergebied nog verder ontwikkelen. “We kijken nu naar de weginrichting aan de ‘meerzijde’; het padennetwerk dat ook naar de camping gaat. Er komt niet alleen een waterspeeltuin, maar we zijn ook bezig om de oversteek van de N361 aan te pakken. Het is nu niet gezellig als je naar de Haven gaat en door het verkeer kan het zelfs gevaarlijk zijn. We willen daarom rotondes plaatsen, waardoor de snelheid omlaag gaat.” Vertraging voor het verkeer verwacht De Visser niet.
Een half jaar geleden was De Visser nog ambtenaar, nu heeft ze ambtenaren die voor haar het werk doen. Een hele overgang, omdat ze voor de verkiezingen nog geen enkele zekerheid had of ze in het nieuwe college zou komen. “Voor ambtenaren zijn onderhandelingen een black box. Dit jaar zat ik er als lijsttrekker ineens midden in.” Als die waren misgelopen, was ze nu raadslid geweest. “Dat had ik ook helemaal niet erg gevonden,” vertelt ze nu. “Ik had een goede baan en mijn leven hing hier niet van af. Ik heb tijdens de onderhandeling ook wel eens het ‘Dit wordt hem niet’-gevoel gehad.”
Met de komst van De Visser in het college, is het voor het eerst sinds het ontstaan van de gemeente dat er een vrouwelijke wethouder is. Toch zegt ze het in de dagelijkse gang van zaken niet echt te merken. “Bij de provincie hield ik me bezig met infrastructuur, dus een mannenwereld was ik wel gewend. Sterker nog: het valt mij niet meer op.” Wat ze als vrouw kan toevoegen? “Misschien wel dat ik een verbindende factor kan zijn. Ik probeer altijd te kijken naar het grotere geheel,” begint ze bescheiden. “Ik heb hier echt het gevoel dat we goed kunnen samenwerken. Helaas heb ik eerder wel meegemaakt dat het niet boterde. De organisatie weet dan ook niet wat ze moeten doen en het probleem is dat je dan ook geen stappen kunt zetten.”