MiniKul – week 19 ‘14

Het was een ongeschreven traditie dat ik, toen mijn kleinkinderen op de basisschool zaten, in hun klas rond 5 mei iets over mijn oorlogsjaren als kind vertelde. Dat was tussen mijn vijfde en tiende jaar. Zo’n beetje de leeftijd waarin zij verkeerden. Vorige week was het voor mij weer zo ver. Mijn jongste kleinzoon vroeg mij, of ik dat ook in zijn klas wilde doen. Het was wat dat betreft voor mij een jaar of twintig geleden. Maar ik bewaarde in een schoenendoos nog steeds wat oude distributiebonkaarten, persoonsbewijzen, een echt in het aDuits opgesteld Ausweis, plus wat gestencilde verzetkrantjes. Met als klapstuk een bars door de Duitsers uitgegeven BEVEL, waarin stond dat ‘alle mannen in den leeftijd van 17 t/m 40 jaar zich voor den arbeidsdienst moeten aanmelden.’ Met de vetgedrukte waarschuwing dat ‘Op hen, die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten.’ Kijk, dat was spannend.
Vergeleken met mijn voorlaatste ‘oorlogsopvoering’ was er op school heel wat veranderd. Via het computerlokaal – dat was er in 1995 nog niet; de computer en internet waren toen amper bekend en zeker nog niet massaal ingevoerd – kwam ik in het klasselokaal waar dertig groep-zeven-leerlingen uitnodigend op me wachtten. Ik had dertig minuten en niet meer om mijn verhaal te vertellen, had mijn kleinzoon me uitdrukkelijk op het hart gedrukt. ‘Want we hebben het druk!’ Ik moest dus maar meteen vertellen: Over luchtalarm, schuilkelders, verduistering, voedsel en brandstofgebrek, jodenvervolging – ik had een joods vriendje en vriendinnetje die opeens ‘zo maar’ verdwenen waren – en over het leven op school, over de bevrijding en de opbouw daarna. Toen was er nog even tijd voor vragen. Nou, die waren er! Veel. Uit de hele klas. Ervaringen van hún opa’s en oma’s werden verteld. Maar ook opmerkingen als ‘Toen schreven de mensen nog een n achter de d hè.’ En: ‘Ik heb gehoord dat, toen de Moffen – zo noemden jullie de Duitsers toch ? – alle benzine hadden ingepikt, auto’s op poep en pis reden.’ Daar had ik zo geen antwoord op maar voor de rest wist ik me er aardig uit te redden. Zo werd het maximale halfuur uiteindelijk ruim drie kwartier.
Mijn kleinzoon had me echter geen enkele vraag gesteld. ‘Ik ken jouw verhaal immers al,’ was daarop later zijn antwoord. Om me meteen opnieuw te claimen: ‘Kun je volgende keer iets over de oerknal en het zwarte gat vertellen?’ Mwôh.  
Henk Hendriks