Onzekerheid omtrent Pieterbuurster camping: ”We gaan straks een spannend jaar tegemoet”

50 jaar rust en sereniteit op camping Boet’n toen

PIETERBUREN – Telefoon vanuit het hoge noorden. Pieterbuurster in hart en nieren Arie Molenhuis aan de lijn met de vraag of wij op de hoogte zijn van een bijzondere mijlpaal voor de Pieterbuurster camping Boet’n toen. “Die bestaat dit jaar 50 jaar én draait geheel op vrijwilligers”, meldt de altijd opgewekt Arie. Het verhaal van Arie klinkt goed, maar natuurlijk willen wij ook met eigen ogen zien hoe de bijzonder de camping is. Dus trekken we naar het mooie Pieterburen voor een leuk gesprek met campingbeheerders André en Fokje Staal en de voorzitter van de vereniging Koos van der Maar. “Voor drukte en activiteiten moet men hier niet zijn”, vertelt Fokje vooraf. “Er is in Pieterburen en omstreken genoeg te doen, dus hier komt men vooral voor de rust.”

Als de auto is geparkeerd en we het terrein oplopen valt inderdaad de rust op. Als oud-kampeerder is ondergetekende vooral gewend aan barbecues, volleybaltoernooien, lege bierblikjes en Hollandse meezingers tot laat in de avond. Enthousiaste en luidruchtige recreatieteams die kinderen vermaken en klaverjasavonden in het campinggebouw organiseren. Compleet met rollades, leverworsten en wat de plaatselijke slager nog meer kwijt wil. Niets van dat alles op de Pieterbuurster camping waar de groene omgeving, het vriendelijke windje en vooral de stilte de boventoon voeren. Als we überhaupt al kunnen spreken van een toon. “Wij zijn geen familiecamping en dat willen we ook niet zijn”, legt de vrijwillige beheerster Fokje Staal uit. “Hier geen polonaises, geen extra luxe-voorzieningen en duurbetaalde recreatieteams. Wat je ziet is wat je krijgt.” Een rustige camping die ook nog eens laagdrempelig is, vult haar man André aan. “Hier kunnen ook mensen met een kleinere beurs nog meerdere weken aaneen hun vakantie doorbrengen.” Alhoewel de camping vooral sereniteit en rust uitstraalt, kampeerders worden gevraagd hun radio’s uit te laten en de meeste pubers de kampeervelden allicht als saai zullen bestempelen, is vervelen zeker geen optie. “Dat komt vooral door de omgeving”, vertelt Koos van der Maar. Aan het einde van de jaren zestig begon Koos met wadlopen en werd ook al snel wadloopgids voor toeristen. Toeristen die natuurlijk een verblijfplaats nodig hadden. “Daar is de camping ook voor opgericht”, weet hij. “De Wadloopstichting zag het nut van een camping om de vele wadlopers de ruimte te bieden om te blijven overnachten. In 1967 was het zover en nam Hylke Dijkstra –destijds ook voorzitter van Dorpsbelangen Pieterburen- het initiatief om een camping te beginnen.” André spreekt van een groot succes, daar de camping in de beginjaren honderden kamperende wadlopers naar de velden trok. In de tijd dat Berend Meerstra nog de scepter zwaaide over de camping en als beheerder acteerde. “De tijd ook dat er op de camping nog geen toiletvoorzieningen waren”, herinnert Koos. “Men ging toen nog bij de beheerder thuis naar het toilet die hier niet ver vanaf woonde.” Net zoals andere campings is ook Boet’n toen gegroeid. Anders dan bij andere campings gebeurde dit niet stormachtig. “Er is een veld bijgekomen”, vertelt Fokje, die samen met André al twintig jaar actief is als beheerdersechtpaar voor de Wadloopstichting. “Veel groter hoeft het overigens ook niet te zijn hoor”, vindt ze, “want we draaien op vrijwillige basis. Dus het moet allemaal wel te behappen zijn.” Sinds vier jaar maken de vrijwilligers onderdeel uit van de vereniging Boet’n toen die het kampeerterrein huurt van de stichting. “Noodgedwongen”, stelt Koos. “Toen het aantal wadlopers terug begon te lopen wilde de stichting eigenlijk wel van de grond, dus de camping, af. Als vaste groep kampeerders, wadloopgidsen en vrijwilligers hebben we daar een stokje voor gestoken. We hebben een vereniging opgericht en huren nu de camping van de stichting.” Koos van der Maar voegt daaraan toe dat de afspraken, zoals te doen gebruikelijk in het bedrijfsleven, voor een periode van vijf jaar zijn gemaakt. “Dat houdt dus in dat we komend jaar een spannend jaar tegemoet gaan”, weet hij. “Het is logischerwijs het laatste jaar van de afspraken tussen de Wadloopstichting en onze vereniging.” De verwachting bij de voorzitter en de beheerders is dat de stichting nu echt aanstalten wil maken om de grond te verkopen. Koos: “Dat houdt in dat wij nu druk bezig zijn met het verkennen van de mogelijkheden om de grond te kopen van de stichting om zo het behoud van de camping te kunnen waarborgen.” Waar de sleutel ligt blijft nog even de vraag. Gekeken wordt naar wat de gemeente kan betekenen voor het behoud van de camping waar nog altijd jaarlijks de velden goed gevuld zijn en naar de mogelijkheden om met derden samen te werken. “Pieterburen moet toch écht een camping hebben”, vindt André. Met het wad op loopafstand zijn er genoeg ‘verkoopargumenten’ te bedenken om de camping van een mogelijke ondergang te redden. “Er is hier zoveel te beleven. Denk bijvoorbeeld aan de Petruskerk, het Zeehondencentrum en het wadlopen. Daarnaast is Domies Toen inmiddels een begrip in de wijde regio. Daar hóórt ook een kampeergelegenheid bij.” Naast wadlopers trekt de camping ook veel wandelaars en fietsers die –soms meerdere keren per jaar- hun tentje opslaan bij Boet’n toen. “Dat is eigenlijk ook waar de camping voor bedoeld is”, meldt Fokje. “Men slaapt hier, komt hier eventjes bij en vindt een rustpunt, maar moet zich verder toch écht zelf zien te vermaken met het vele moois dat in de omgeving te doen en te zien is.” Zoals het allemaal al vijftig jaar gebeurd op één van de oudste campings in de regio. “Kunnen we dat stellen?”, vraagt André retorisch op zijn eigen stelling dat Boet’n toen één van de oudste campings in de regio moet zijn. Koos bevestigt het vermoeden van zijn beheerder, “zeker, want in 1967 bestond het Lauwersmeer nog niet. Dus is dit misschien zelfs wel dé oudste camping.” Oud en zonder opsmuk. “En zonder horeca”, lacht Fokje, wetende van het leuke feitje dat gaat komen. “We hebben wel een horecavergunning hoor! Maar, eh, die zit op het oude toiletgebouw. En ik weet niet of men daar wel een biertje wil drinken.” Na de voordelen van horeca nabij het toilet besproken te hebben wordt toch de conclusie getrokken dat de camping sowieso niet wil concurreren met de plaatselijke middenstand. “Je moet elkaar wat gunnen”, vindt André. “Pieterburen heeft gezellige horecagelegenheden en die moeten ook wat verdienen. Die gaan wij dus zeker niet in het vaarwater zitten.” Het drietal spreekt van een mooie kampeerzomer tot dusverre. Dit ondanks het feit dat er voor later deze middag een code geel geldt. “Het hopen is dat er nog vele mooie kampeerzomers mogen volgen”, besluit Koos van der Maar. “Volgend jaar zal de camping er ongetwijfeld nog zijn. Het is te hopen dat we aan het eind van het volgende kampeerseizoen onze vaste gasten en wadlopers niet teleur hoeven te stellen over het jaar daarna. De mededeling dat deze camping haar deuren moet sluiten doe ik liever niet.” Terwijl wij van het terrein aflopen richting onze auto nemen we nog één keer de omgeving in ons op. Kamperen op een steenworp afstand van het wad is ideaal. En met zulke mooie toeristische trekpleisters in de buurt zou het inderdaad zonde zijn om afstand te nemen van de meest betaalbare logeerplek voor veel mensen. Volgend jaar nog eens kijken bij Boet’n toen, Koos, André en Fokje. Dit in de stille hoop dat de teller voor de camping niet op 51 mooie jaren blijft steken.