Rondje deur Mien Westerkwartier: De Snipperij

DE SNIPPERIJ – De Snipperij is een gehucht in de gemeente Grootegast in het Westerkwartier. Het ligt tussen Noordwijk en Kornhorn. Het is weinig meer dan een doodlopend pad dat haaks staat op de doorgaande weg van Marum naar Grootegast. Op de plaatsnaamborden staat aan de ene zijde van het gehucht ‘De Snipperij’ en aan de andere zijde kortweg ‘Snipperij’ vermeld. De oorsprong van de naam van het gehucht is niet zeker. De naam zou kunnen verwijzen naar de vogel, maar er is ook een theorie die verwijst naar de familie Snip die oorspronkelijk uit deze streek afkomstig zou zijn.

De Kleine Hema

 

Tussen Marum en Kornhorn ligt het buurtschap “De Snipperij”. Het is een weggetje met maar een paar huizen en boerderijen. Voor je het weet ben je er al voorbij. Toch heeft hier, nog niet zo heel lang geleden, een bijzondere winkel gestaan. De winkel was getooid met de trotse naam “De Kleine Hema”, met een knipoog naar de grote broer “De Hema”. Eigenaar was de heer Willem Oost.

Je kon er haast geen voorstelling van maken wat er allemaal in die winkel te koop was. Niet alleen wat een “normale” galanterie winkel (benaming voor een winkel met allerlei artikelen van mode, smaak; sierlijke snuisterijen) te koop had, maar ook nog tabakskisten, tweede keus dakleer, gasflessen, kachels en een collectie gebruikte meubelen. Je kon er te kust en te keur gaan winkelen in de voormalige dubbele woning direct achter de winkel.

Willem Oost, die was geboren in 1908, was zelf ook van vele markten thuis. Naast winkelier was hij bv ook huisslachter. Als de varkens in de herfst op gewicht waren (november is slachtmaand) werd het voor Oost de drukste tijd van het jaar. Bijna elke boer had wel een varken dat geslacht moest worden.

Elke slachting kende hetzelfde ritueel. Oost kwam op de fiets aanrijden, met zijn gereedschap in de fietstas: schietmasker, verschillende soorten messen in een houder, schraper en een spreider. Het eerste wat Oost de boer vroeg:

‘Hest genog kokend wotter?’

Dan werd het varken opgehaald. Met een schietmasker werd het varken eerst bedwelmd en daarna gekeeld. Het bloed werd opgevangen om bloedworst van te maken.

‘Giet der nou mor kokend wotter over!’

Dit gebeurde en vervolgens werd met een schraper het haar van het zwijn verwijderd.

‘Pak nou de ledder mor, was de volgende opdracht. ‘

Die ladder lag natuurlijk allang klaar. De spreider werd aan de achillespezen van de achterpoten van het varken bevestigd. Vervolgens werd het varken op de ladder gelegd.

‘Nou helpen om het spul omhoog te kriegen!’

Ladder en varken werden rechtop tegen een muur gezet en het varken werd verder geslacht. Letterlijk alle delen werden gebruikt. Niet alleen het vlees en het spek. Van de kop werd hoofdkaas gemaakt, de onderpoten kwamen in de snert, lever in leverworst en de afsnijdsels werden gebruikt voor worst. Het vet werd uitgesmolten en in aardewerken vaatjes gedaan. De “koantjes” die hierbij overbleven waren heerlijk op een stuk roggebrood. De blaas werd opgeblazen en gedroogd en ging dan naar de kwajongens die hem als voetbal gebruikten. Zelfs de “zwienepies” (=geslachtsdeel) werd nog gebruikt om er houtzagen mee in te vetten.

In en direct na de oorlog was er een noodslachtplaats in Kornhorn en Oost was één van de slagers. Eén voorval is hem zijn leven lang bijgebleven.

Op een dag kregen ze een stier die niet aan zijn eigen dood wilde meewerken. Uit voorzorg hadden de slagers al een lang touw aan de horens vastgemaakt, zodat meerdere mensen het dier in bedwang konden houden. Ongelukkig genoeg schoot de slager mis en werd het dier helemaal dol. Oost klom in een kastanjeboom die naast de noodslachtplaats stond. Het touw werd over de onderste tak gelegd en met man en macht werd het dier richting boom getrokken en zo kreeg Oost alsnog de gelegenheid om het dier te doden. Dit was voor alle aanwezigen een ingrijpende gebeurtenis. Gelukkig viel er ook veel te lachen.

Bouke Peuter, de bijnaam van de man was potenbekapper, kwam altijd slachtafval halen. Hij kreeg dan wat ingewanden mee, die hij dan zelf opat. Hij lustte graag een borreltje en graag ook meer dan één! Op een dag toen hij weer langs was geweest en beschonken wegreed moesten alle toeschouwers lachen. De slachters hadden hem een koeienstaart achter in de broek gestoken!

Bij openbare verkopingen, bijvoorbeeld bedrijfsbeëindiging van een boerenbedrijf, was hij Willem Oost uitveiler. Alle te verkopen spullen werden in kavels verdeeld en dan bij opbod verkocht. Als uitveiler stond Oost naast de notaris op een boerenwagen de te verkopen spullen aan te prijzen om de biedingen zo hoog mogelijk te krijgen. Dit was een verantwoordelijke baan waarbij vakkennis, spreekvaardigheid en humor onontbeerlijk was. Dit alles was bij Oost allemaal ruimschoots aanwezig. Toen Oost in 1968 overleed, verdween er een markante verschijning van het Westerkwartier.