Rondje deur Mien Westerkwartier: Diepswal

DIEPSWAL – Diepswal is een buurtschap en streek in de gemeente Leek. Diepswal ligt aan beide zijden van het Leekster Hoofddiep even ten westen van Leek. De ligging verklaart ook meteen de naam: gelegen op de wal (= kade of oever) langs het (Hoofd)diep. In Diepswal is in het Hoofddiep een opvoergemaal met een naast gelegen stuw op de plaats van de oorspronkelijke schutsluis. Het hoogteverschil tussen de beide panden bedraagt meer dan 2 meter. Een enorm verschil in het anders zo vlakke Groningerland. Ten noorden van het Hoofddiep ligt een bedrijventerrein dat eveneens de naam Diepswal draagt.

 

Kalkovens, Kiepkirrels en Poepen

Diepswal is een gehucht en/of streek onder Leek. Het maakt nu deel uit van de bebouwde kom van het dorp, maar wordt altijd nog apart benoemd. De naam is te verklaren uit de plek waren de huizen gebouwd waren, op de wal van het Leekster Hoofddiep. In vroegere tijden had Diepswal een aparte status. Dat kwam mede doordat er al vóór 1800 een grote kalkoven stond aan de oevers van het Leekster Hoofddiep. Deze kalkoven leverde kalk voor de bouw, maar ook voor de landbouw. Voor de bouw werd het gezeefd, voor de landbouw had het meer een ruwe vorm.

De kalk werd hoofdzakelijk gewonnen uit schelpen. Die schelpen werden aangevoerd van uit Delfzijl, Zoutkamp en andere havenplaatsen. Dat was allemaal niet zo moeilijk, want het Leekster Hoofddiep stond immers rechtstreeks in verbinding met het Leekstermeer en van daaruit met de stad Groningen en bijvoorbeeld het Hoendiep. Vanuit alle kanten kon men per schip Diepswal bereiken.

In de tijd na de oprichting van de kalkovens was er sprake van de eerste gastarbeiders in deze regio. In Duitsland ging het er economisch niet zo goed aan toe, dus ging men op reis naar het meer welvarende Holland om daar te werken. “War in der Heimat bittere Not, in Holland gabts Verdienst und Brot“. Deze mensen kwamen hier werken als de zogenaamde „Hannekemaaiers“, meestal gingen ze in het hooiseizoen werken bij boeren om te gaan maaien. In het grasland kon je dan een hele rij maaiers aan het werk zien, die naar de overlevering zegt ook de mooiste liederen zongen. In Duitsland stonden ze bekend onder de naam “Hollandgänger”.

Het is zeer waarschijnlijk dat er in de kalkovens op Diepswal ook van deze gastarbeiders hebben gewerkt. Er was immers een goede verbinding met de heren van Nienoord, om maar een voorbeeld te noemen met de Duitse naam: “Von Inn- und Knipphausen”. Nienoord zorgde voor veel werkgelegenheid met de vervening van het Zuidelijk Westerkwartier en het graven van de kanalen en wijken in Zuidelijke richting. Zo kwam nering en industrie op gang, de Joodse begraafplaats aan de Oostkant van het Hoofddiep in Diepswal is daar een stille getuige van.

En met de komst van de “Hollandgänger” kwamen ook de “Lapkepoepen”,  beter bekend als de “Kiepkerels”. Zij reisden met een grote korf ( Kiep) op de rug door de contreien. Zo’n kiep was gevuld met de meest uiteenlopende zaken. Heel mooi is dat hierover eens een lied is geschreven door de burgemeester van Oude Pekela. Even googelen op internet en u heeft het gevonden. Veel van deze mensen zijn later grootverdieners geworden in Nederland, goede voorbeelden zijn “Vroom und Dreesmann”, C und A Brenninckmeijer”, de familie Sinkel van de Winkel van Sinkel en nog veel meer.

Wat dit nou alles met Diepswal te maken heeft vraagt u?  Nou, dit, de kalkovens in Diepswal waren een belangrijk onderdeel van de ontwikkelingen in de tijd waarin ze gebouwd werden. Er zullen vele voetstappen liggen van “Hollandgänger” en de omgeving zal zeker bezocht zijn door Kiepkerels en Hannekemaaiers. Gastarbeiders van de eerste rang. Er is niets nieuws onder de zon.