Rondje deur Mien Westerkwartier: Doezum

DOEZUM –  Doezum is een streekdorp in de gemeente Grootegast in het Westerkwartier. Het dorp ligt op een zandrug die loopt van Doezum tot Oldekerk. Het dorp heeft ongeveer 1200 inwoners. Doezum heeft een romaanse kerk uit de 12e eeuw, die oorspronkelijk uit tufsteen was opgetrokken. Het dorp wordt rond 1500 vermeld als Uterdosum of Uteracosum en werd landelijk bekend in 1929 toen IJe Wijkstra vier veldwachters doodschoot nabij het dorp.

 

De Melkfabriek van Doezum

Tot in de jaren 80 stond er op hoek van de Kaleweg en de Provincialeweg bij Doezum een zuivelfabriek.  Pakweg 110 jaar geleden kregen een aantal heren uit die buurt het idee om een boterfabriek te stichten. Een mooie plek was zo gevonden. Aan het water van de Doezumertocht en op de splitsing van twee belangrijke wegen.

Eeuwenlang werd boter op de boerderij gemaakt. De vakkennis van boer en boerin bepaalde de kwaliteit van de boter en Nederland, met name Friesland, had een goede naam in dat opzicht.

Lang werd er veel verdiend aan de export naar b.v. Londen, maar in de tweede helft van de 19e eeuw kwam hier verandering in. De kwaliteit van de boter ging snel achteruit en de prijzen kelderden.

Er werd driftig gezocht naar een manier om de kwaliteit te verbeteren, zoals het oprichten van boterfabrieken.

In Doezum ontstond vanuit een overleg van veehouders, de  dominee en een winkelier het idee om een zuivelfabriek op te richten. De winkelier (A. Flokstra) werd de eerste directeur van de fabriek met de naam: “de N.V. Stoomzuivelfabriek De Kale Weg”. Er kwam dus niet eerst een fabriek op handkracht, maar er werd gelijk gestart met een stoommachine. Er werd voortvarend te werk gegaan en in April 1905 werd er grond aangekocht om de fabriek op te bouwen. De fabriek mat 8.5 bij 16 meter en had verschillende functionele ruimten.  Allereerst de melkontvangst waar de melk van de boer werd afgenomen. Daarna kwam de melk in een karn- en centrifuge-lokaal, waar room en melk werden gescheiden en de boter werd gekarnd.  De kaas werd gemaakt in het kaaslokaal en kwam vervolgens in het pekellokaal. Daarnaast waren er nog twee koellokalen, een ondermelkafvoer, een onderzoekruimte voor de melk en tenslotte nog een machinekamer voor de stoommachine. Dat dit allemaal kon passen in zo’n kleine fabriekje!

In de fabriek werd de melk verwerkt tot boter en kaas. Bijproducten waren karnemelk en wei. Dit ging weer terug naar de boeren als veevoer. Ook werd er karnemelkse pap gemaakt dat naar de melkboer ging voor wederverkoop en in 10 liter busjes ook weer terug naar de boeren. De school was ook afnemer van de fabriek. In de zomer werd er ranja weggehaald en met kerstfeest chocolademelk.

In 1909 werd de fabriek overgenomen door de Leeuwarder IJs en Melkpoeder Fabriek (Lyempf). In tegenstelling tot de meeste andere fabrieken in de begintijd was dit een particuliere onderneming opgericht door Jan Evert Scholten. Hij had in Groningen en Friesland een aantal fabrieken, die hij eerst op coöperatieve basis bij de Bond van Coöperatieve zuivelfabrieken in Friesland wilde onderbrengen. Dit is hem niet gelukt omdat de bond van mening was dat hij andere motieven had dan de coöperatieve vereniging.

De fabriek werd regelmatig vergroot en vernieuwd. Zo kwam er op een gegeven moment een bussenspoelmachine. Nu wilde het geval, dat één van de boeren een afwijkend model melkbus had, dat niet op de machine paste. In de fabriek werd er een kartonnetje aan de bus gehangen met de tekst:

Bus niet meer vullen met melk. Bus past niet op spoelmachine.

De volgende dag kwam dezelfde bus terug met aan de andere kant van het kaartje geschreven:

Bus niet schoonmaken. Nieuwe bus past niet in begroting.

In 1970 naam de DOMO de fabriek over, maar al die tijd was er in de werkwijze niet veel veranderd. De melkontvangst was aan de kant van de Doezumertocht. ’s Morgens was het een drukte van belang. De melk werd aangevoerd door melkrijders met paard en wagen, onder andere Ebbel Nijenhuis uit Lutjegast. Later gebeurde dit met tractoren en auto’s. In het begin  werd het melkgeld door de melkrijders contant meegenomen en in een envelop aan de lege melkbus bevestigd. Op een gegeven moment wilde de fabriek overgaan tot het  betalen per bank. Natuurlijk kwam hier veel verzet tegen. Toen de directeur één boer, die daar het felste tegen was, probeerde te overtuigen zei de boer:

“Dat kinnen joe wel zeggen, moar as ik papiergeld ien e handen heb, kin ik dat nog even strelen.”

In de zeventiger jaren zette de schaalvergroting in de zuivelindustrie door en moest de kleine fabriek sluiten. Er werd een plasticfabriek in het pand gevestigd, maar toen in de tachtiger jaren dit bedrijf verhuisde naar Grootegast, kocht de gemeente het pand en volgde de sloop. Het terrein van de fabriek is nog goed te herkennen en de fraaie woning van de directeur staat nog trots in het Groninger landschap.