Rondje deur Mien Westerkwartier: Grootegast

GROOTEGAST – Grootegast is een dorp in het Westerkwartier. Het dorp behoort uiteraard tot de gelijknamige gemeente Grootegast en heeft een ongeveer 3.500 inwoners. Het dorp (‘als Majorgast’) is rond het jaar 1000 ontstaan en werd vanaf 1400 geprofileerd als tegenhanger van Lutjegast. Het dorp bevat een 17e-eeuwse kerk, het zogenaamde Witte Kerkje. Deze werd in 1829 gerestaureerd.

 

De schoolmeester vertelt

Net als overal is er ook in het dorp Grootegast de laatste jaren veel veranderd. Er zijn veel uitbreidingen geweest. Ook de middelen van bestaan zijn in de loop der jaren behoorlijk veranderd. Dit wordt heel duidelijk als we het schoolmeestersrapport   van 1828 erbij nemen. In dat jaar werden er door de commissie van onderwijs vragenlijsten naar de scholen in alle dorpen gestuurd. Vragen gingen onder andere over: Bodemgesteldheid, luchtgesteldheid , platte taal (dialect), levenswijze enzovoort.

In dat jaar waren de meeste mensen werkzaam in de sector landbouw en veeteelt  of werkzaam in het veen. Er werd veel zand verkocht van de Wieren, tussen Lutjegast en Grootegast. Er was ook een rogge en pelmolen. Men heeft ook geprobeerd om boekweit te malen. Dit is niet gelukt. De schoolmeester omschrijft het als volgt:

“Het pelmolentje is ingericht  om er ook boekweit, door de wind, op te malen. Dit voldeed echter niet aan de verwachting welke men daaromtrent van elders (van een in de provincie. En van een buiten’s Lands) had ingewonnen. De ondervinding bewoog den ondernemer hier weder van af te zien, wegens den al te ongeregelden gang der molen, veroorzaakt door onbestendigen wind, en tot boekweitmalen niet geschikt.”

Ook in die periode leidde het volgen van advies van geraadpleegde deskundigen niet  altijd tot een succesvolle onderneming.

Naast deze bronnen van inkomsten waren er verschillende bedrijven die we nu onder “middenstand” zouden rekenen. Genoemd werden: Bakkers, kuipers, smeden enz.

Midden in het dorp staat het karakteristieke gemeentehuis, gebouwd in 1912.De grond werd geschonken door J. Evers. Het voormalig café inclusief de danszaal is in het gemeentehuis opgenomen. In de tachtiger jaren heeft architect Jetze Kuipers de drie gebouwen, die toen samen het gemeentehuis vormden, met behoud van het karakter van die gebouwen samengevoegd.

In de loop van de jaren is Grootegast uitgebreid  en was rond het midden van de vorige eeuw een dorp met een grote verscheidenheid aan beroepen en winkels. Heden ten dage zijn daar ook weer veel van verdwenen.

Persoonlijk heb ik nog herinneringen aan die tijd. Graag wil ik een paar van die herinneringen met u delen.

De notaris hield  als hobby hengsten. Het  waren Belgische stamboek trekpaarden. Deze hengsten werden door een werknemer bij boeren langsgereden om door hun werk het ras in stand te houden. Bij een feestelijke uitvoering was de plaatselijke elektricien ook aanwezig. Toen de notaris even een kijkje kwam nemen kon de goede man niet nalaten te vragen wat de hengsten te eten kregen om iedere dag hun werk te doen Het antwoord van de notaris was. “Witte bonen, want dat verhoogt de wulpsigheid.” De reactie van de elektricien was: “Dan zal ik de vrouw vroagen om mörgen witte bonen op toafel te zetten”.

Naast de huishoudschool was de pottenbakkerij van Holman. Holman was een bekende keramist. Hij deed alles zelf. Hij haalde de klei met zijn zeilboot, bouwde zelf zijn turfgestookte ovens. Pas in 1956, toen turf schaars werd, ging hij over op olie.  Toen was het moeilijk om de kwaliteit glazuur te maken die hij gewend was. Die kwam terug toen hij in 1970 een gasgestookte oven kreeg. Ook de afzet van zijn producten verzorgde hij zelf. Hij was één van de eersten die beelden van kunstharssteen maakte. Ook die werden door hem zelf ter plekke gemonteerd.

Schoenwinkelier Terpstra verkocht zijn waar niet alleen contant, maar ook op afbetaling. Iedere week maakte hij op de fiets een ronde om zijn geld met dubbeltjes en kwartjes bij elkaar te sprokkelen.

Ook de boderijder is een verdwenen fenomeen. De boderijder haalde en bracht goederen van en naar de stad. De goederen waren zeer divers. Dat liep van kruidenierswaren tot dode dieren voor de gezondheidsdienst van dieren. Ook gingen er regelmatig gebitten mee ter reparatie en moesten er soms “gummiwaren” van een drogist op het Zuiderdiep gehaald worden.

Een aparte ervaring had de bode toen er op een avond  twee struise boerenmeiden vanaf de Slingerij  mee wilden liften naar Grootegast. Iedereen was verbaasd dat ze zo mooi waren, want moeder was op zijn zachtst gezegd geen schoonheid. Ze mochten meerijden. Toen ze uitstapten vroegen ze wat ze moesten betalen. “Geef me moar een dikke tuut” zei de bode. “Dat is goed” was het antwoord,  “Moeke betoalt wel even”.