Rondje deur Mien Westerkwartier: Lettelbert

LETTELBERT – Lettelbert is een plaats in de gemeente Leek. Lettelbert heeft ongeveer 200 inwoners en ontstond in de Middeleeuwen op een zandrug in het Westerkwartier bij het Lettelberterdiep. Lettelbert betekent de kleine buurt, in de buurt van Lettelbert liggen ook de oude buurt en de nieuwe buurt, te weten Tolbert en Niebert. Lettelbert heeft een kleine jachthaven aan het Leekstermeer en een natuurcamping (“de Hondenhoek”). Bij het dorp liggen de Lettelberter Petten, een ontveningsgebied waar sinds 1961 een natuurgebied van Het Groninger Landschap is gelegen.

 

De hondenhoek in Lettelbert

 

Lettelbert had indertijd een camping  met de naam “hondenhoek”, maar eigenlijk weet niemand hoe men aan deze naam is gekomen. Daarom moet dat hier maar eens fijn uit de doeken worden gedaan. Het was in de tijd dat het klooster van Aduard veel invloed had in de regio en de grote landheren uit de omgeving veel voor het zeggen hadden. Eén van deze landheren voelde zich als een koning en hij vermomde zich graag om zich tussen het volk te begeven om te zien of alles wel een beetje goed verliep. Hij was namelijk een rechtschapen man die het goed voor had met de armen in zijn gebied. Zo was hij op een dag, vermomd als huzaar, het land in getrokken en kwam terecht in de omgeving van het Zulthemeer. Daar zag hij een boer die bezig was zijn land te ploegen met twee ossen. De gezellige dikzak deed dat met een brede glimlach op zijn gelaat en binnen de kortste keren was hij klaar met zijn werk. Even verderop was een ander boertje ook bezig met ploegen, hij moest de ploeg echter zelf trekken en hij bezweek bijna onder het zware werk.

De landheer bedacht zich geen moment en hij ging naar de dikke boer toe en vroeg hem of hij niet even zijn beide ossen kon afstaan aan de ploeteraar, zodat deze het werk ook gemakkelijker af kon maken. “Wat gijt mij dat aan?” snauwde de dikzak. “Zo’n armoedzoaier kin mij  ja  niks  betoalen. En  doe,  huzaar, bemoei  die liever  met  dien  soabel,  veurdat  er

roesten gijt”. De landheer schudde zijn hoofd en liep naar de arme boer toe. Geruime tijd bleef hij bij hem, en samen voerden ze fluisterend zo’n lang gesprek, dat de dikzak wantrouwende blikken in hun richting wierp. Het arme boertje bezat slechts het hoognodige, net genoeg om niet te verhongeren. Daarom was de rijke dikzak stomverbaasd, toen zijn arme buurman zich uit de ploeg bevrijdde en naar huis rende, alsof de duivel hem op de hielen zat.

Maar toen hij ’s avonds thuiskwam, liep zijn vrouw hem opgewonden tegemoet, en riep: “Moest heuren wat dien buurman nou uuthoald het!” “Nou, vertel op.” “Hij het zien huus, met alles wat erbij heurt, verkocht en veur het geld het er ien het dörp alle honden opkocht: Bello, Tommie, en alle aanderen en ook onze fikkie heb ik veur een goeie pries van de hand doan! En toen is er  met alle honden noar Lepterd vertrokken”. Het klopte. Het boertje was, op aanraden van de landheer met een grote koppel honden vertrokken naar een perceel land in Lettelbert. Hij voerde hen heerlijke stukjes spek om ze bij elkaar en bij hemzelf te houden. Zodoende blaften de honden vrolijk en keken de mensen allemaal vreemd op toen ze de troep voorbij zagen trekken. En de landheer liet alle edelen uit het hele land optrommelen. Baronnen, vorsten, graven en adellijke heren. Deze kwamen gekleed en opgedoft allemaal om te horen wat voor bijzonders er nu te gebeuren stond.

De landheer sprak hen toe: “Hoogwelgeboren heren. Ik heb de eer, u voor een schouwspel uit te nodigen, waaraan u zeker veel genoegen zult beleven en waar alle koningen van Europa u om zullen benijden. Vergeet echter niet, uw geldbuidel mee te nemen, en nu, volg mij!” Hij ging de hoge heren voor naar het perceel land en bracht hen rechtstreeks naar de blaffende honden. “Welnu, mijne heren,” riep hij vrolijk, “dit is een unieke gelegenheid. Ik verwacht, dat ieder van u zich een hond zal uitzoeken en, als ik u een goede raad mag geven, neemt u dan een lelijke, zoals de hofetiquette voorschrijft – en heren, wees niet karig met de beloning!”

Nu stortten allen zich op de honden, en ze zouden misschien nog slaags zijn geraakt, wie het lelijkste dier kon bemachtigen, als hun voorname afkomst dat niet had belet. Het boertje had werkelijk geen klagen, want iedere edelman kocht minstens een of twee honden bij hem.

En toen hij, met een buidel vol goud weer naar huis ging vertelde hij zijn dikke buurman triomfantelijk hoe gemakkelijk hij aan het geld was gekomen. “Wacht moar, mien tied komt ok,” dacht deze bij zichzelf, en de rest van de dag bracht hij door met zijn hele hebben en houden aan de man te brengen; te beginnen bij de ossen. En net als het boertje kocht ook hij van de opbrengst honden, de laatste die hij in het dorp nog kon bemachtigen. Hij moest er echter wel zwaar voor betalen, want iedereen kende het verhaal van het boertje. Onderweg naar Lettelbert had hij de grootste moeite om de honden bij elkaar te houden, ze vochten met elkaar en stoven alle kanten uit. Met een paar stokken probeerde hij ze verzamelen, maar dat zette kwaad bloed bij de mensen die hij voorbij kwam.

Daarna kwam de landheer. “Wat komstoe hier doen?” “Ik wil n hondemaart hollen, net zoas vurrege week gebeurd is”.  “Nou, dat moest dan moar aargens aans doen, hier is gien plak veur dij, dit is mien laand en n hondemaart mag moar één keer ien de tien joar holden worden”. En zo kon de dikzak zonder resultaat afdruipen en zo is Lettelbert aan de naam Hondenhoek gekomen.