Rondje deur Mien Westerkwartier: Marum

MARUM – De naam Marum komt van ‘Mare’ (water) en ‘Heim’ (plaats), en betekent dus ‘plaats aan het water’, waarin met het water het Oud Diep wordt bedoeld. Oorspronkelijk is het een lintdorp rond de Hoornweg, met het centrum bij en aan de Markstraat. De lintbebouwing liep van ’t Malijk, langs de Kruisweg en de Hoornweg tot De Haar. Oorspronkelijk was er sprake van twee ontwikkelingskernen. Tussen deze twee kernen in, Marum-West en de Kruisweg, lag ‘de Hoorn’. De Hoorn bestond uit gemeenschappelijke weidegronden. Dit gebied tussen de twee kernen is met name bebouwd geraakt in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw.

 

De Bakker van de Kruisweg

Tegenwoordig heeft Marum een mooi centrum met een keur aan winkels. Vroeger was dat heel anders. De middenstand was geconcentreerd op de Kruisweg.  Hier was een verscheidenheid aan winkels en ambachtslieden. Vrijwel elke branche was wel vertegenwoordigd.

Als bakker moest je in die tijd heel veel uren maken. Niet alleen was er het werk in de bakkerij, maar het brood moest ook uitgevent worden. Bij bakker Heuker was het niet anders.  Hij werkte van ‘s morgens vroeg in de bakkerij tot laat in de avond het bezorgen van brood. Vooral zaterdags werd het vaak heel laat. Bij zijn wijk richting Boerakker was een klant aan de Boerakkerweg altijd zijn laatste klant. Iedere zaterdag was hij daar rond 11 uur in de avond. De klanten lagen dan op bed, maar er waren goede afspraken gemaakt. De sleutel lag op een vaste plek bij de regenwaterbak. Heuker kon zo naar binnen. Op het aanrecht stond altijd een petroleumstel met een pot koffie. Daarnaast lag een afgepast bedrag geld voor de boodschappen die de afgelopen week waren gekocht. De bakker nam rustig de tijd om een bakkie te doen. Daarna legde hij de nieuwe bestelling op de tafel, nam het geld mee, deed de deur op slot en legde de sleutel tenslotte weer op neer bij de regenbak. Vervolgens moest hij midden in de nacht met zijn bakkerskar nog ongeveer zes kilometer rijden om te thuis te komen.

Als hij thuis was ging hij in de bakkerij zitten om nog een kop soep te eten. Die had hij, voor hij op pad ging in de oven gezet. De soep was dus lekker warm. De plaatselijke politieagent die ‘s nachts zijn ronde maakte wist dat ook en kwam vaak langs om een praatje en een kop soep mee te eten. Het is een keer gebeurd dat de agent binnen kwam en de bakker op zijn stoel zat te slapen met een bord koude soep voor zich. Hij was zo moe dat hij na het opscheppen van de soep gelijk in slaap was gevallen.

Achter het huis van de bakker stonden een paar lindebomen, met daaronder een pomp. De kwaliteit van het water was blijkbaar niet om over naar huis te schrijven want het water dat hij in de bakkerij moest gebruiken haalde hij bij de buren.

De tuin was verder voorzien van een omheining omdat de bakker een paar varkens en een toom kippen bezat. Oud brood en dergelijke kregen zo een goede bestemming. Achter zijn tuin was de opslag van spaanders van de timmerfabriek. Heuker kreeg hier regelmatig een partijtje van om zijn oven te stoken. De bakker was dus blij met de timmerfabriek zo dicht bij.

Met de medewerkers van de fabriek was de verstandhouding niet altijd even goed. Ze waren nooit te beroerd om een goede grap met de bakker uit te halen. Zo kwam hij eens thuis en liepen zijn varkens in de opslag van houtspaanders van de fabriek. De jongens van de fabriek hadden de varkens uit het hok gehaald en ze in de spaanders laten lopen.  Toen de bakker met een verbaasd gezicht naar de varkens stond te kijken zeiden ze:  ‘Ja bakker, hest vanmörgen zeker vergeten dien zwienen vreten te geven. Toen dochten ze zeker dat hier wat te hoalen was en binnen ze over het hek sprongen’. De bakker keek ietwat verbaasd maar geloofde het verhaal wel en heeft de omheining hoger gemaakt.
Als je varkens en kippen houdt, trek je ongedierte aan. Bij bakker Heuker waren er op een gegeven moment ratten gezien. De jongens van de fabriek wisten daar ook van en zeiden tegen hem: ‘Bakker doe hest rötten en dan kin niet bij een bakkerij. Moeten wij dij helpen om ze te vangen?’ De bakker had nog niets geleerd van de grap met de varkens en aanvaardde de hulp dankbaar. ‘Ze zitten onder de dakpannen’, zeiden de jongens. Ze hebben de pannen van het dak gehaald en zeiden toen tegen de bakker ‘De rötten binnen vot en niks te danken heur’.  Heuker bleef verbouwereerd achter met een hok zonder pannen.