Rondje deur Mien Westerkwartier: Niebert

NIEBERT – Niebert is een dorp in het oosten van de gemeente Marum. Het dorp telt ruim 500 inwoners. Het postcodegebied Niebert omvat circa 680 inwoners. Het dorp is vooral bekend door de aanwezigheid van het enige steenhuis van Groningen. Niebert werd waarschijnlijk gesticht vanuit het oostelijker gelegen Tolbert, dat tegenwoordig onderdeel vormt van de gemeente Leek. Tolbert betekent dan ook “oude buurt” en Niebert “nieuwe buurt”. Verder naar het noordoosten ligt nog het dorp Lettelbert; “kleine buurt”. 

 

Steenhuus

Niebert is in het rijke bezit van verschillende  monumenten. Onder andere het Steenhuis. Dit is het enige Steenhuis dat nog als Steenhuis is te herkennen in de provincie Groningen.  Gebouwd omstreeks 1400 als  een verdedigingswerk. Het was drie verdiepingen hoog met muren van plm. 65 cm. dik. Bij gevaar ging men een verdieping omhoog en trok men de ladder omhoog. Begin 1900 is het Steenhuis verbouwd tot boerderij. Heden ten dage ligt het er nog precies zo bij, met een mooie tuin met stinsenplanten. In de tuin een geweldige rode beuk.  In 2016 is de stam op het dunste gedeelte gemeten. Men mat een omvang van 6.45 meter en hiermee is deze beuk meteen de dikste in het hele noorden. Daarnaast zijn er natuurlijk nog de kerk en de molen. Iedereen kan dit zien en er van genieten.  Minder zichtbaar is een ander verleden in deze hele omgeving.  Rond 1845 was het armoedje troef in de hele omgeving. Vanaf 1825 was er  grote groei van de bevolking en de economische situatie was voor veel mensen verslechterd. Toen ook nog de aardappeloogst van 1845 vrijwel volledig mislukte was het helemaal erg. Er was veel bedelarij. Vanuit de overheid deed men in principe alleen aan armoedebestrijding  door het aanbieden van werk door de gemeente. Onder anderen het spinnen van garen en het kloppen (verbrijzelen) van keien. Een vetpot was dit werk beslist niet. Met het verbrijzelen van een mud keien kon 15 cent worden verdiend. Verder werd er alleen door de diaconie van de kerk enige steun verleend. De gemeente ondersteunde hierin soms de kerk. Mei 1848 was er van men van overheidswege al bezorgd voor de voedseltoestand. Er werd op gewezen dat men met een mengsel van mangelwortel en rogge een voedzaam brood kon bakken. In deze periode is de Vereniging tot hulp voor Vlijtige Armoede. Bij de plaatselijke bevolking  beter bekend als: “De vlijt” . dit was een gemeentelijke vereniging met in elk dorp van de gemeente (dus ook in Niebert) een plaatselijke afdeling met een eigen bestuur. Het was niet één van de vele verenigingen die de armoede alleen wilde bestrijden door werkverschaffing. Men wilde hier af van lediggang en bedelarij. Het idee was om niet iedere bedelaar iets te geven, maar in plaats daarvan het bedrag dat men iedere week hiervoor kwijt was als lidmaatschapsgeld aan “De Vlijt” te betalen. Het bestuur was onafhankelijk van de kerk en van de gemeente. In het reglement staat als doel omschreven:

1e ” Arbeidzaamheid, oppassendheid, en, in het algemeen, zedelijkheid bij de minvermogende volks-klasse aantemoedigen, en bedelarij ten eenenmale, benevens lediggang, zoo veel mogelijk, te weren;

2e Aan zulke minvermogenden, die niet ten laste van eenig Armbestuur zijn, doch bij mangel aan werk, gebrek zouden moeten lijden, werk, en dáárdoor onderstand te verschaffen;

3e In het vervolg de noodzakelijkheid te doen ophouden, dat eenige Diake in de kerkdorpen Marum, Noordwijk, Niebert of Nuis, uit de gemeentekas, subsidie ontvange.”

In het begin waren de inkomsten alleen uit de contributies, die naar draagkracht moesten worden betaald. Dit varieerde van 60 cent voor de hoogste inkomens. En als men “zich in gemoede verpligt acht, grooter offer aan de goede zaak te moeten brengen, het spreekt vanzelf, dat meerdere bijdragen tot het fonds der verëeniging , (hetzij in geld, graan, brood enz.) met dankbaarheid zullen ontvangen en behoorlijk verantwoord worden.  Verdiende men daarentegen maar een beetje dan kwam men in de twaalfde klasse en betaalde  2 ½ cent.

Later werden de uitgaven betaald met winsten die gemaakt werden met het in cultuur brengen van heidegrond. Men heeft nooit een beroep op de overheid moeten doen omdat er te weinig geld was.

In 1854 dacht men een manier gevonden te hebben om de winterarmoede te verminderen. Er werd een spaarkas opgericht, met als doel: “om de overvloedige verdiensten van de arbeider te bewaren en tegen de winter tot aankoop van levensmiddelen en brandstof aan te wenden”.  In een ingezonden brief in november 1854 werd dit nog eens toegelicht en beschreven dat de vereniging de vele verveners zou vragen hetzelfde te doen. De verveners die een kruidenierswinkel of jeneverwinkel hadden werden niet benaderd “omdat die over het algemeen niet gezind zijn het lot van  hun arbeiders te verbeteren”

In 1957 is de afdeling Niebert opgeheven. Het kasgeld , 1117.64, werd verdeeld tussen de kerkvoogdij van Niebert en verenigingsgebouw Taveno in Boerakker.