Rondje deur Mien Westerkwartier: Niekerk

NIEKERK – De herkomst van de naam Niekerk is niet met zekerheid bekend, maar aangenomen wordt dat de naam is ontleend aan het stichten van een kerk vanuit Oldekerk. De eerste vermelding van de plaats dateert van 1385 en vermeldt reeds ‘Olde unde Niekerke ende Phane’. De kerk van Oldekerk werd later afgebroken, zodat Niekerk nu een oudere kerk heeft dan Oldekerk. Niekerk ligt op de keileem- en dekzandrug waarop ook de buurdorpen Oldekerk en Faan liggen. De oude as van het dorp is de Zandumerweg. Het zuidelijk deel van het dorp werd gevormd door het buurtje Smidshorn (aan de Smidshornerweg). Ten westen van Smidshorn ligt nog altijd het buurtje Eekeburen, waar zich het gelijknamige zwembad bevindt en dat het dorp verbindt met buurdorp Oldekerk.

 

Haring en Katers

Net als ieder ander jaar werd er in Stad een paard ingespannen en werd er een ton met haring en kist ‘stuut’ op de wagen gezet. Het is vroeg in april, de woensdag voor Pasen en dan wachten de burgers van Niekerk op de jaarlijkse traktatie ‘haring met brood’. Hoe dat zo kwam?

In 1476 liet de Niekerker hereboer Menno Jeltema,  in een legaat 16 grazen land onder t Faan na aan het Pepergasthuys in Stad. Hij had daar één voorwaarde aan verbonden.

‘t Bestuur  van t gasthuus moet elk joar, op e woensdag veur Pasen, een tun heerens noar  de arme luu van Nijkerk en t Foan brengen. Doen ze dat niet, dan mag  de ‘geestelijkheid’ van t Foan de helfte van t laand  ien gebruuk nemmen.’

Het land was natuurlijk een mooi bezit voor het gasthuis, want de pacht bracht jaarlijks veel meer op dan een tonnetje vis. En die arme sloebers van Niekerk keken, na een lange koude winter, uit naar zo’n extraatje. Mooi meegenomen zo aan t begin van de lente.

Maar rond Pasen komen ook de katers in de weer. Ze gaan dan op zoek naar een gewillig poeske, om vervolgens  met veel drift te kunnen werken aan het nageslacht.  Dat gaat niet zonder slag of stoot. De katers moeten flink aan de bak en net als de poezen maken ze daarbij veel kabaal.

Boer Fokkinga woonde een mooie boerderij  tussen Enumatil en t Faan en had jaarlijks veel last van die ongenode gasten. Hij schrok nachts vaak wakker en dacht dan dat zijn kleine dochtertje lag te huilen. Maar die sliep als een roos en het waren die dekselse katers die voor al het lawaai zorgden. Hij klom dan uit zijn bed een gooide een klomp of een laars naar  het romantische stel om ze tot bedaren te brengen. De katten stoven dan uiteen over de Fanerweg. Vaak hielp dat maar eventjes  en kwam t gejank na een poosje weer terug.

De voerman was die ochtend  mooi vroeg uit de Stad vertrokken. t Was erg koud die dag en hij zat  diep weggedoken in zijn jas op de bok van de wagen. Vlak voor de brug van Enumatil had hij bedacht dat hij ‘der moar ain kopen mos’ en stopte bij de herberg. Het was er niet druk, alleen twee boerenknechten zaten met elkaar te zwetsen en te zweren over de Mepsche van t Foan.

“Hij pakte zomoar  luu op, niet omdat ze wat misdoan hadden, moar omdat ze veur n anner landheer waarkten. Die mispunt had minsen met stokken sloagen en met ketten vast bonden op t achterdeel. Sums, soavends, konst de ketten van de geesten die over t Foan doolden, rabbelen heuren.’

De voerman was een goed gelovig man. Hij had niet veel op met bakerpraatjes en nam nog een borreltje voor onderweg. Vervolgens deed hij zijn jas weer aan en kroop op de bok  om het laatste stukje via t Foan naar de kerk van Niekerk af te leggen. Door de sterke drank was hij wat ‘doezeleg’ geworden en toen de felle lentezon hem lekker in het gezicht scheen, dommelde hij zo maar in. Ach, zijn paardje kon het  pad ook wel alleen vinden. De voerman droomde weg  en zag in zijn droom een lange rij  mannen en vrouwen aan dikke ketten op het achterdeel van een  boerderij. Ze jammerden en jeremieerden net als maartse katten.

Dan ineens zitten er twee dikke katers achter elkaar aan. Ze schieten vlak voor t paard van de voerman over de Fanerweg. Het arme paard schrikt en slaat op hol. De voerman wordt wakker en begint in paniek aan de leidsels te trekken. Maar hoe ook met zijn tong klakt en ‘Huu, Huu’ roept, het paard draaft door en als het rechterachterwiel van de wagen over een dikke steen knapt, slaat de wagen met haring en brood over de kop. Het hele zwikje gaat de sloot in en het tonnetje haring barst open.

Druipend nat, maar direct weer klaarwakker, klimt de  voerman de kant op en loopt naar zijn paard, dat verderop in de wal staat. Zo goed en zo kwaad als het kan, kruipt hij op de rug van t beestje en rijdt naar het kerkje van Niekerk, waar de burgers van Niekerk al staan te wachten.

Hij vertelt de wachtenden dat ze dit jaar de vissen zelf van t Faan moeten halen. In een lange rij, met handkarren en emmers, lopen de burgers van Niekerk naar t Faan. Maar als ze de laatste bocht omslaan, zien ze wel 40 katers en poezen die heerlijk zitten te smullen  van de haring. Dat jaar geen lekkernij voor de burgers van Niekerk. Maar er waren  nog nooit zoveel mooie jonge katjes als in dat jaar.

‘Elk noadeel het zien veurdeel!’