Rondje deur Mien Westerkwartier: Peebos

PEEBOS – Peebos, of Piebos zoals het lokaal ook wel wordt genoemd, is een gehucht en streek in de gemeente Grootegast in de provincie Groningen. Het ligt ten westen van Doezum tegen de grens met de provincie Friesland. De naam komt van een bos dat hier stond en dat eigendom vormde van een man genaamd Pebe (Piebe). Vroeger werd het dan ook wel Pebebosch genoemd.

Peebos – De Baggelbeer

Mijn hele leven, en dat is nu al bijna 80 jaar, woon ik aan de rand van de Peebos.  Als je in de herfst van je leven komt denk je onwillekeurig terug aan je jeugd, de tijd dat je nog een kwajongen was.

Als jongen zwierf ik dagenlang tussen de Peebos en de Friesche dijk ,een pracht gebied,  in het voorjaar geel van de dotterbloemen en hele velden met krabbenscheer.

Het was laag en nat land. Overal waren petgaten, overgebleven na de winning van baggelturf. De bodem bestond uit modder. Als je in die modder terecht kwam, was het net drijfzand. Hoe meer je probeerde er uit te komen hoe dieper je wegzakte. Je kwam er nooit weer uit!

Omdat het daar in de petgaten best gevaarlijk was vertelden ouders hun kinderen over de Baggelbeer. Een gevaarlijk monster, groter dan een mens, met vreselijke klauwen, die herten, schapen, ja zelfs kinderen, op at. Ooit was er een jongen van de Peebos verdwenen en nooit meer teruggevonden. Ja alleen een halve klomp, dat moest wel het werk van de Baggelbeer zijn geweest.

Op een herfstdag wilde ik het gebied weer in. Jas aan, een tas en een stuk touw mee. Je weet immers nooit wat je nog tegenkomt. En natuurlijk het grote mes dat ik van mijn opa had gekregen, want als ik die baggelbeer tegen kwam, dan zou ik hem mores leren. Mijn moeder waarschuwde me opnieuw voor de Baggelbeer.

Tou nou jong, goa niet t veld ien. t Is hartstikke mistig, straks verdwoalst of komst de Baggelbeer tegen.’

‘Moak je niet drok Moeke! As één de Baggelbeer aan ken, dan ben ik het’.

Dat verhaal kon ik ondertussen wel dromen en ik was hem nog nooit tegengekomen, dus waar zou ik bang voor zijn.

Onderweg dacht ik helemaal niet meer aan het verhaal van moeder. Er was zo veel te zien. Een ree, een haas en veel verschillende vogels. Plotseling zag ik een reiger staan bij de Lauwers. Hij stond daar om vis te vangen en of hij nu van mij schrok of van iets anders, maar hij vloog weg. Ik liep naar de plek waar de reiger zonet nog stond om te kijken wat er allemaal in het water te zien was. Een pracht gezicht. Er zwom een snoek, er waren stekelbaarsjes en op het wateroppervlak hadden de schrijvertjes het druk.

Terwijl ik daar stond zag ik een schaduw op het water,die steeds groter werd. Was er dan toch een Baggelbeer? Doodsbang werd ik, draaide naar links en begon te hollen. Tas en touw gooide ik weg om maar sneller te kunnen. Verblind door angst rende  ik verder en liep  zo een petgat in.

Hoe ik ook probeerde om er uit te komen, het  lukte me dat niet. Steeds verder zakte ik in de modder. Ik werd doodsbenauwd, prevelde alle gebeden die ik op school moest leren en snikte  luidkeels:

”Moeke help. Ien het vervolg zal ik altied noar joe luusteren”.

Plotseling kwam er lawaai uit het kreupelhout. Zou de baggelbeer me toch nog te grazen nemen?

Nou was mijn laatste uur geslagen en ik zou mijn ouders en de Peebos nooit weer zien. Een donkere gestalte kwam uit de struiken en kwam naar de waterkant.  Het was niet de Baggelbeer maar een enorme reebok.

Ik stak mijn armen naar hem uit en fluisterde: “Kinstoe mij misschien helpen?”

Het was net of de bok mij begreep. Hij ging op zijn knieën liggen en stak me zijn gewei toe. Ik pakte het gewei beet en de reebok trok me zo uit de modder. Nat en smerig lag ik op de kant. Bedanken kon niet, want hij was al weer verdwenen.

In mijn vieze, natte kleren liep ik snel  richting huis. Moeder zou wel boos op me zijn en dus bedacht ik onderweg dat ik gevochten had met de Baggelbeer.

Toen ik bij het huis aankwam hoorde ik mijn moeder huilen.

‘Jonkje, Jonkje, woar bist zo laang west. Ik docht dat ik dij kwiet roakt was aan de Baggelbeer.’

‘Nou Moeke ik heb hem zien en met hem vochten, mor ik heb wonnen, dankzij t mes van Opa!’

Moeders verdriet en boosheid sloeg al snel om  naar  blijdschap en ze omhelsde mij.

Jarenlang heb ik  op mooie zomeravonden aan mijn buurjongens verteld over mijn heldhaftige gevecht met de Baggelbeer. Ze zaten dan naast me op de regenbak, de mondjes vielen onder het vertellen wagenwijd open van verbazing en ik besloot altijd met de woorden:

“Luuster goed noar jim pabbe en moeke en kiek goed uut veur de baggelbeer”.