Rondje deur Mien Westerkwartier: Pieterzijl

PIETERZIJLBegin 15e eeuw werd de Ruigewaard bedijkt. In 1440 werd daarvoor door monniken van klooster Jeruzalem in Gerkesklooster een zijl (sluis) gebouwd, die diende als spuisluis voor het eveneens door hen gegraven Zijldiep, een gekanaliseerde verbinding in de Lauwers, waarvan de oude loop echter nog steeds om het dorp heenloopt. De monniken vernoemden de sluis naar de heilige Petrus en werd aangeduid als ‘Peterssül’. Rondom de zijl ontstond langzamerhand een dorpje, dat kerkelijk onder Visvliet viel. De heerlijke rechten van het dorp behoorden, net als die van Visvliet, tot begin 17e eeuw bij Friesland. In 1637 werd echter de heerlijkheid en erfgrietenij ‘Visvliet’ met inbegrip van de dorpen Pieterzijl en Visvliet verkocht aan het gewest Stad en Lande.

 

Het opengeslagen boek

Aan Diepswal in Pieterzijl staat een eenvoudig oorlogsmonument, bedacht en gemaakt door de dorpsbewoners. Een sokkel met daarop een gescheurd blad van een boek. Op het blad staan vier namen van vier jonge inwoners van Pieterzijl die tijdens de oorlog zijn opgepakt door de Duitsers, afgevoerd zijn naar Neuengamme en wiens leven daar werd verscheurd. Elk jaar op 4 mei komen familieleden van deze 4 jongens en de bewoners van Pieterzijl naar het monument op de slachtoffers van oorlogsgeweld te herdenken. Daarbij gaan de gedachten natuurlijk uit naar die vier namen op het gescheurde blad Arnold Stuut, Klaas Reinder Wiersma, Jan Wiersma en Sjoerd Kok.

‘Hé Jan komst ien buuten, goan we vissen ien t Diep!’ Zo zal het begin jaren 30 van de vorige eeuw hebben geklonken in Pieterzijl. Jonge kinderen die na schooltijd vertier zochten langs het water van de Lauwers of op hooilanden van de boer. ‘Wacht eemen, ik kom er aan, eefkes mien thee leegdrinken!’ De jongen schiet zijn klompen aan en even later klettert het geluid van 4 klompen langs de gevels van de kleine huisjes aan Diepswal. Geen idee van wat er zou komen, geen idee dat ze de helft van hun leven al geleefd hadden.

Als ze van school afkomen blijven ze in de buurt van het dorp. Ze worden boerenknecht in Visvliet of Pieterzijl en regelmatig zien ze elkaar s’avonds in het dorp. Ze staan naast elkaar op de brug te ‘krinkje spijen’ en het ene na het andere sterke verhaal komt boven. ‘Hest al heurd van die nije knecht van de smid, die is zo dom as taauw!’ De schaterende lach van de jongemannen klinkt in de stille avond. Niets aan de hand, pet op de kop, grassprietje in de mondhoek.

Maar alles wordt snel anders. In mei 1940 vallen de Duitsers ons land binnen. Jongens nog te jong voor het leger, merken eerst niet zo veel van de oorlog en gaan gewoon door met hun werk, vegen zich het zwit van de kop en roepen vanaf de boerenwagen noar de wichter, ‘Hé komstoe nije week ok op de kermis van Griepskerk?’

De bezetting wordt grimmiger. Jonge mannen moeten zich melden voor de Arbeidseinsatz. Ook de vier buurjongens in Pieterzijl. Ze besluiten samen om niet te gaan, maar om onder te duiken. In een dorp als Pieterzijl betekende dat gewoon dat je je een beetje gedekt moest houden, maar eigenlijk wist iedereen, ook de NSB-ers in het dorp, waar de jongens verbleven. Overdag zaten ze samen binnen te spinnen in een onbewoonbaar verklaard huis en de nacht brachten ze door in de schuur van de timmerman.

In juni 1944 doen 16 landwachters een inval bij de familie Stuut, Ze zoeken eigenlijk Arnold’s broer Piet, die connecties heeft met het verzet. Deze is niet thuis, maar Arnold is dan toevallig even bij zijn ouders. Hij wordt meegenomen en overgebracht naar het beruchte Scholtenshuis in Groningen.

Twee maanden later worden de andere drie jongens ook opgepakt. De arrestatie verloopt rustig. Ze mogen afscheid nemen van de familie en hun fietsen thuis ophalen. Niemand heeft dan in de gaten dat het de laatste keer is dat ze in het dorp Pieterzijl zijn.

Ze worden in eerste instantie naar Groningen gebracht voor het verhoor, maar worden dan op transport gezet naar Amersfoort. Even lijkt het met een sisser af te lopen en lijkt het er op dat ze naar huis mogen gaan. Maar op het laatste moment wordt toch besloten dat ze alle vier op het laatste transport naar Neuengamme worden gezet.

Eenmaal in het concentratiekamp moeten ze hard werken onder barre omstandigheden. Arnold probeert te ontsnappen, maar dat mislukt en hij wordt voor straf opgehangen. De drie andere jongens sterven aan ondervoeding en worden in een massagraf gegooid.

De bewoners van Pieterzijl hebben een tweede monument gemaakt en dat staat in Neuengamme. Het is een sokkel met een gesloten boek. Het levensboek van de 4 jongens is in Duitsland keihard dichtgeslagen!

Maar elk jaar komen ze op 4 mei weer samen op Diepswal. De gedachten aan de 4 jongens van Pieterzijl en al hun lotgenoten moet een opengeslagen boek blijven.