Rondje deur Mien Westerkwartier: ’t Dörp

’T DÖRP – Wie net over het bruggetje over de Doezumertocht richting Stroobos kijkt, kijkt uit over ’t Dörp. Echt een dorp is het overigens niet. Nauwelijks een gehucht. Meer een mooie straat genaamd Dorpssterweg waar prachtige boerderijen aan staan. Gelegen tussen het tweelingdorp Gerkesklooster-Stroobos en Lutjegast rijdt men via ’t Dörp van Groningen naar Friesland en weer terug. Een mooie plek voor onder meer een goed verhaal.

 

Grensgeschil

 

Moderne burgers, die zonder paspoort door (bijna) heel Europa kunnen reizen, zullen het vreemd vinden dat er vóór 1813 bij de provinciegrenzen douaneposten waren. Niet alleen was er een slagboom over de weg, maar ook over het water.

En net als nu waren er aan weerszijden van de grens vaak cafés te vinden. Die cafés  werden in die tijd herbergen genoemd en de uitbaters herbergiers. Dit was ook het geval bij t Dörp onder Stroobos.  En deze twee herbergen, of beter nog de herbergiers spelen een grote rol in het volgende verhaal.

Oebele Jacobs woonde in Doezum, maar waar hij oorspronkelijk vandaan kwam is niet bekend. Hij staat in Doezum niet geregistreerd. In geen enkel trouw- of doopregister is hij te achterhalen. Hij was vrijgezel en was niet wars van kattenkwaad of nog erger. Tegenwoordig zou hij zich bij bepaalde groepen hangjongeren of “voetbal supporters” goed thuis gevoeld hebben. De meeste mensen hadden een hekel aan hem, omdat hij niemand met rust kon laten. De meesten liepen met een grote boog om hem heen. De meisjes waarschuwden elkaar. “Doe moest niet te dicht bij hem ien de buurt kommen, want dat is niet vertrouwd”.

De herbergiers, aan beide kanten van de grens, hadden geen hekel aan hem. Integendeel, Oebele was een goede innemer en ook als hij bijna geen geld had om eten te kopen, zijn drankrekening betaalde hij altijd.

Oebele had  op sinterklaasavond al een paar herbergen bezocht toen hij bij de tapperij van commissaris (zoiets als hoofd douane) Eyens ook nog een afzakkertje wilde nemen. Eyens weigerde om te schenken omdat Oebele “volgezopen” was. Oebele was het hier niet mee eens en dreigde hem de nek om te draaien of in de vaart te gooien. Eyens was hier niet van onder de indruk, greep hem bij kop en kont en zette hem de kroeg uit. Oebele liep naar “de Friesche Herberg” aan de andere kant van de grens. Deze herbergier wilde hem nog wel schenken. Terwijl hij “het hete water” nuttigde uitte Oebele  verschillende bedreigingen aan het adres van de herbergier/douanier aan de Groninger kant. “Ik zal hem levend villen en ien stukken snieden”, zei hij.

Toen hij de herberg verliet was zijn pas niet al te vast meer en hij wankelde richting slagboom van de douane. Dit was precies op het moment dat de Lemmer boot er aan kwam. De dienstdoende douanier, Seifert, wilde de sluitboom openen, maar op datzelfde ogenblik werd hij beetgepakt en tussen wal en schip in het water gegooid.

De schipper heeft met de vaarboom de douanier uit het water gehaald. Oebele stond hier rustig te kijken. Hij deed net of hij niets had gezien. Hij had in het donker niemand gezien, maar hij zei: ‘Ik wil wel even methelpen te zoeken.’ Maar ineens kreeg Seifert een klap op zijn hoofd die zo hard aankwam dat hij sterretjes zag. Dat was blijkbaar nog niet genoeg want even later werd hij over de brugleuning opnieuw het water in gekieperd. Gelukkig hoorde de herbergier van “De Friesche Herberg hem en die heeft hem met een haak uit het water gehaald. Seifert had de aanvaller niet herkend. Bovendien was hij helemaal overstuur door het angstige avontuur.

Toch werd Oebele de volgende dag in Doezum gearresteerd en naar de gevangenis in Leeuwarden overgebracht. Vier maanden later stond hij voor de rechter in Leeuwarden. Voor de rechter was het moeilijk uit te maken of Oebele werkelijk de dader was. Oebele dacht zelf dat hij ruzie had gehad met de Friesche herbergier en naar huis was gegaan. Seifert had hem in het duister niet herkend. Wel stelde de rechter dat hij ter plaatse was geweest en ruzie had gemaakt met beide herbergiers. Er was dus helemaal geen bewijs. Toch luidde het vonnis:

“en condemneert omme bij den Scherprechter op t schandblok gelijdt , aldaar strengelijk gegeselt, gebrandtmerkt en daarna door de dienaren van justitie te orden gebracht in ’t Landschaps Tucht en Werkhuis, om aldaer te werken de tijd van vier jaren”.

Vier jaar kreeg Oebele de tijd om over zijn zonden na te denken en hij kreeg al die tijd geen “heet water” over de lippen.