Rondje deur Mien Westerkwartier: Zevenhuizen

ZEVENHUIZEN – De naam Zevenhuizen doet niet direct denken aan een groot dorp, maar inmiddels heeft het dorp ruim 2.700 inwoners. Het dorp Zevenhuizen is nog jong. Eeuwen was er van een dorp geen sprake, slechts van een woest hoogveengebied. Na de vestiging van de Van Ewsums op Nienoord werd de vervening grootschalig aangepakt. Een grote veenbrand, als gevolg van boekweitbranden op 11 juni 1833, verwoestte een belangrijk deel van het veen tussen De Wilp en Leek en daarmee ook een groot deel van het dorp Zevenhuizen. Het oorspronkelijke Zevenhuizen lag richting Oude Streek. Na de brand is het dorp rond de afslag Evertswijk herbouwd en werd het pas in 1835 een kerkdorp. Al had men daar wel twee pogingen voor nodig. De eerste kerk was dermate slecht gebouwd dat er in 1869 een nieuwe kerk op dezelfde plek werd gebouwd. In 1893 werd Zevenhuizen uit haar isolement verlost toen er een verharde weg werd aangelegd vanuit Leek.

 

 

De aardbeien van Zevenhuizen

Aan de Dwarshaspel bij Zevenhuizen woont aardbeienkweker Poelman. Het zijn werkelijk heerlijke aardbeien die daar vandaan komen en dat is niet zonder reden. Want de wijze waarop de zomersnoepjes daar gekomen zijn is echt heel bijzonder.

We moeten daarvoor heel ver terug in de tijd, de tijd dat er nog maar twee mensen op de wereld waren. Een man en een vrouw. Nee, niet Adam en Eva, dat is een heel ander verhaal, nee, dit gaat over Hispel en Haspel. De vrouw, Hispel, zorgde voor de huishouding, het eten en de kleren en Haspel, haar man, ging op jacht en zorgde er op die manier voor dat er altijd te eten was. En zo waren ze gelukkig. Alhoewel, na verloop van een paar jaar kwam er sleet op dat geluk, er kwam ruzie. Vooral Haspel ging overal dwars tegen in en het duurde dan ook niet lang of Hispel noemde haar man Dwarshaspel.

Hispel werd er diep ongelukkig van, ze werd mager, kreeg grijze haren en uiteindelijk besloot ze om maar weg te gaan. Ze ging naar het Oosten, naar het land van de zon. Daar zou ze het geluk vinden, dat wist ze zeker.

 

Toen Haspel ’s avonds thuiskwam van de jacht was het huis verlaten.  Hij zocht haar overal, riep haar naam, blies op zijn vlierhouten fluit, maar wat hij ook probeerde, ze was weg en bleef weg. Hispel was verdwenen. Wel vond hij op de grond haar sporen en die vertelden hem dat ze naar het Oosten vertrokken was, naar het land van de zon.

 

En Haspel liep achter haar aan, riep steeds haar naam, blies op zijn fluit, maar er kwam geen reactie. Hij werd er wanhopig van maar bleef maar achter haar aan gaan, huilend en schreeuwend. Hispel echter liep maar verder, onvermoeid.

De zon aan de hemel zag het allemaal gebeuren en kreeg medelijden met Haspel. De zon bleef staan en vroeg: “Haspel, holstoe van dien vrouw?” En Haspel zei direct: “Jazeker, heul veul!”  En de zon vroeg nog een keer:  “Wilstoe heur echt terug hemmen?”  “Ja zun, dat wil ik!”  “Moar beloofstoe mij dan dast nooit meer ruzie met heur moakst?”  “Ja, dat beloof ik, met de haand op mien haart!”

“Goed”,  zei de zon, “dan zal ik zörgen dat ze niet verder lopt.”  En de zon keerde zijn gezicht naar de weg waar de vrouw liep en daar verschenen prachtige blauwe bosbessen. Maar Hispel zag ze niet en liep gewoon door. De zon was verbaasd en draaide zijn gezicht nog eens naar de weg en toen groeiden daar ineens de prachtigste frambozen. Maar ook daar keek Hispel niet naar, ze zag ze niet eens.

De zon snapte er niets van, schudde met zijn hoofd, krabde zich eens onder de kin en keerde zich toen voor de derde keer naar de weg. En toen groeiden daar in het gras de heerlijkste aardbeien, groot en rood en zoet als honing. Het waren de eerste aardbeien op de wereld. Zulke heerlijke aardbeien, daar moet Hispel wel naar kijken. Ze bukte zich om er van te plukken en te eten. En terwijl de aardbeien op haar tong smolten keek ze voor het eerst de weg terug, waar ze vandaan was gekomen.

De aardbeien gaven haar een fijn en voldaan gevoel en voor het eerst dacht ze weer aan haar man en de gelukkige tijd die ze ooit hadden gehad. En ze kreeg heimwee naar hem.

Ze ging in het gras zitten en wachtte. En hoe langer ze wachtte, hoe meer ze naar hem verlangde. En toen plukte ze de mooiste aardbeien, stopte ze in de zak van haar schortje en ging de weg terug.

Halverwege kwam ze Haspel tegen. Heel voorzichtig gaf ze hem te eten van de aardbeien. En Haspel nam haar in zijn armen en kuste haar innig. Ze gingen terug naar de plek waar ze ooit begonnen waren en Haspel spijkerde een bordje op het huis met de naam: “Dwarshaspel”. Zo kwamen de aardbeien in Zevenhuizen, zoet en lekker.