week 42

De Streekkrant is niet de enige krant die bij ons uitgegeven wordt en daarom ben ik ook wel eens voor een andere krant op pad. Zo kwam het dat ik terecht kwam bij een buitenschoolse opvang in Marum. Na een zeer enthousiast telefoontje van Marie-Cécile, die overigens wel in Grootegast woont, kon ik niet anders dan overstag gaan. Bovendien was haar verzoek mij al een beetje in de schoenen geschoven door mijn collega. “Johannes zei al dat jij het heel erg leuk vindt om de kinderen wat meer te vertellen over een krant”, aldus Marie-Cécile. Wel ja, mijn eerste impuls om nee te zeggen weg drukkend, zei ik zowaar: ik doe het wel. Krap twee weken later zat ik op een krap krukje aan het hoofd van een kring en keken een twintig paar ogen me vol verwachting aan. Als ‘kranten-kind’ heb ik gelukkig vroeger heel wat spreekbeurten aan het onderwerp ‘krant’ gewijd en dus steek ik maar gewoon van wal. De onwennigheid aan beide kanten verdween al snel. Was het in eerste instantie vooral ik die de vragen afvuurde, het is de macht der gewoonte, al snel ging het ook de andere kant op. “Is het moeilijk om bij de krant te werken?” Hmm, dat was een strikvraag. “Het kan heel simpel zijn, maar dan denk ik ook weer even aan al die deadlines, die wekelijks gehaald moeten worden, al die pagina’s die gevuld moeten worden, en… Hé, weten jullie wel wat een deadline is?” Oei, dit is misschien toch nog lastiger dan ik dacht. Er komen een heleboel ‘te verwachten’ vragen voorbij als ‘wat was het leukste wat u heeft gedaan?’, ‘wat is het meest gekke wat u heeft meegemaakt’, ‘de leukste plek om iemand te interviewen’ en ‘wat was uw allereerste verhaal?’ Sommige vragen maakten het me iets lastiger. “Hoe oud was u toen u begon bij de krant?” Ai, hoe oud ben ik nu en hoe lang is dat alweer geleden? Maar de dames linksachter in de hoek, die maakten me het ‘t meest moeilijk. “Waarom bestaat de krant eigenlijk?” vroeg een jongedame met lang blond haar, terwijl ze me met haar grote blauwe kijkers onschuldig aanstaarde. Wel potverdorie, bedoelt ze nou dat het niet nuttig is? “Daar kunnen jullie beter zelf antwoord op geven”, kaats ik terug. “Wie leest de krant en waarom?” We komen er wel aardig uit met elkaar. Maar haar buurvrouw, een donkere schone met een grote bos kroeskrullen, geeft zich nog niet gewonnen. “Waarom staat er zoveel slecht nieuws in de krant?” Red je daar maar weer eens uit. Peinzend ga ik het nieuws af. “Wat is slecht nieuws dan?” waag ik terug. “Laatst was er een meneer doodgeschoten bij het zwembad”, is het antwoord. Ja, dat is niet best. “Soms moet ook het slechte nieuws wel verteld worden”, is mijn wijze antwoord. De dames lijken tevreden. Zelf maakten de kinderen ook een courant. Jan laat vol trots zijn toegevoegde tekst zien. Drie regels over zijn verjaardag. Eens even zien of hier nog zieltjes te winnen zijn. “Dan wil jij zeker wel journalist worden? Het is het leukste vak van de wereld.” Hij kijkt me verbaasd aan. “Ik wil chirurg worden.” Tsja, ook een mooi vak. En misschien, beste Jan, krijg jij dan later ook nog wel eens de kans om aan zo’n spervuur te worden onderworpen. Ik hoop het voor je. Ik heb er van genoten.