Week 50

0
166

Afgelopen week lag hij opeens op mijn bureau: het nieuwste boek van Mien Westerkwartier. Trots sla ik het boekje open en ja hoor, daar prijkt mijn naam onder de inleiding. Hoewel mijn naam toch iedere week in de Streekkrant staat, is het toch leuk om hem zo terug te zien. Nadat ik dit voorjaar de serie ‘Schiere Schrievers’ maakte over de finalisten van de verhalenwedstrijd ’t Schierste Verhoal, vroeg Geert Zijlstra mij dit najaar of mijn teksten voor het boekje gebruikt mochten worden. Én of ik een inleiding wilde schrijven. ‘Het liefst in de stijl van je column’, was mijn opdracht. Graag plaats ik hierin deze week een stuk van de inleiding:

‘Al snel kreeg ik Piet de Vries te pakken. Zijn verhaal sloeg direct de goede toon bij mij. Als zestienjarige bezocht hij de feestweek van Aduard waar uiteraard de muziek van the Stones luid over de weilanden galmde. Jaren later bezocht hij een concert van the Stones in Groningen en voelde hij zich zomaar even weer 16. “Als ik een verhaal goed over kan brengen, krijg ik een brok in de keel”, vertelde hij. Dit brok liet hij ook bij mij achter denkende aan de vele concerten die ik als zestienjarige afstruinde. De toon was gezet. Een deel van de Schrievers benaderde ik telefonisch, maar geen spijt heb ik dat ik besloot Antje Hoven-Klopstra en Egge Wierenga te bezoeken. Antje bleek de vroegere overbuurvrouw van mijn beste vriendin, met wie ik dus als zestienjarige die concerten af ging, en alleen haar huis, nog compleet met prachtig bloemenbehang, lamp met kraaltjes en prominent de foto van háár plekje in het Westerkwartier, de Leuringslaan 13 in Tolbert, niet geheel toevallig ook het onderwerp van haar inzending, is al genoeg om met een lach aan terug te denken. Van Antje reed ik naar Egge, waar ik in een heus museum leek terecht te komen. Omringd door vitrines vol verzamelingen en met een stapel boeken die Egge schreef voor mijn neus, brandde hij los. Zijn inzending verhaalde over de Bult van Marum en ik hing aan zijn lippen toen hij uit de doeken deed, hoe volgens hem deze bult ooit ontstond. Ik hoop van harte dat er ooit nog eens bewijs wordt gevonden, dat de bult simpelweg werd aangelegd voor een boerenknecht die heimwee had, en hierop elke avond naar huis kon zwaaien; precies zoals Egge en velen dankzij hem, het voor zich zien. “Ik maak me soms nog heel kwaad”, vertelde hij in zijn huis in Boerakker dat uitkijkt op het zo typische Westerkwartierse landschap, “ omdat we hier niet voor vol worden aangezien. Jim proaten gien Grunnings, jim bennen Drenten of Friezen. Doar begunt voak met. Dan moe je altied weer uutleggen wat t wel is.” En ja wat is dat nou, dat Westerkwartiers? Wat maakt een huis een thuis? Wat maakt het Westerkwartier? De mensen die er de taal spreken en zo in stand houden, de herinneringen die zij er hebben, aan een gebied of een specifiek plekje of de verhalen die er bestaan en zomaar ontstaan. Het Westerkwartier is de herinneringen van Antje aan de Leuringslaan 13 in Tolbert, de muziek van the Stones die Piet over de weilanden van Aduard hoort schallen, maar ook een boerenknecht zwaaiend op de bult van Marum als Egge er langs fietst.’

Het boekje ’t Schierste Verhoal is het Kammeroadengschenk 2013 van Mien Westerkwartier, wat betekent dat Kammeroaden het automatisch krijgen toegestuurd. Anderen kunnen het bestellen via www.mienwesterkwartier.nl.