week 17

0
163

Het geloof blijft een boeiend onderwerp om over te schrijven. Ieder mens die je vraagt uit te leggen wat dit precies inhoudt, zal er een andere invulling aan geven. Meest bijzondere aan de verhalen is het gevoel wat erbij komt kijken, want zover ben ik al wel: geloven is vooral voelen. En dan niet alleen voelen voor een God en voelen bij jezelf, maar vaak vooral voelen voor een ander. “Heb je het moeilijk? Kom dan bij ons”, dat was de droom van de familie Ekema uit Buitenpost. Zij zochten een pand om een soort van ‘veilige haven’ te creëren, gedreven door de wens om hun leven fulltime aan God te wijden, maar vooral ook vanuit hun goede en grote hart. Hoe het staat met die droom, weet ik niet. Wat ik nog wel goed weet, is hun verhaal. Zowel Douwe als zijn vrouw Tjitske bekeerden zich op latere leven. Ook hun dochters besloten het voorbeeld te volgen. Een dappere beslissing voor twee pubers, die beaamden niet altijd begrepen te worden door leeftijdgenootjes. Beiden echter, leden aan astma en werden daar wonderbaarlijk van genezen door een handoplegging tijdens een genezingsdienst. Wie kan met gezond verstand verklaren hoe het kan dat een meisje wat van jongs af aan zware medicijnen moest innemen en zelfs zelf al dacht niet oud te worden, na een simpele handoplegging terplekke zonder medicijnen drie rondjes kon hardlopen? Haar huisarts in elk geval niet en ook ik kan er geen zinnige reden voor bedenken. Het gezin voelde een grote behoefte hun geloof te delen. Dit klinkt misschien vervelend of opdringerig, maar ik ontdekte dat hier een grote goedheid achter schuil ging. Wie niet gelooft namelijk, zal uiteindelijk met de wereld vergaan. “En als ik jou in een kloof laat rijden, terwijl ik dat aan zie komen”, vindt Douwe, “dan ben ik toch een rotzak?” Ook dat verhaal staat als een huis. Bovendien, “geloven is best cool.” Sterker nog, in de diensten die de Stichting Cruising for Jesus, opgericht door het echtpaar, organiseert, wordt ook regelmatig de polonaise gelopen. Klinkt dus goed, maar zelf vind ik niet in het geloof, wat dit gezin wel doet. “Toch geloof ik”, zei Douwe mij, “dat wij wel eens weer op elkaars pad komen.” Ik vond het een compliment dat hij hoopte, dat ook ik me ooit zou bekeren. “Maar goed, waar ik ga ik nou heen als ik overlijd?”, vroeg ik het gezin voor ik wegging. De meiden keken me open aan. Het antwoord kon ik wel raden: dat wordt de hel. Desondanks zwaaide het viertal me hartelijk uit; iets wat me ook niet iedere dag gebeurt. En of ik nou geloof in een God of niet, ik geloof wel in de essentie van het verhaal van deze familie. Als we allemaal een beetje meer om elkaar zouden denken, zou bij tijden vast geen kwaad kunnen. Of zoals Douwe zei: “de wereld verandert, maar je hoeft niet gelijk te worden aan die wereld.”