“De stad als belangrijkste bestuurscentrum; daaromheen drie ‘plattelandsgemeenten’

0
140
DSK_STRK-p07.pdf - Adobe Acrobat Pro

Eenrumer Bert Dijksterhuis geeft zijn visie op de gemeentelijke herindeling

STREEK/EENRUM – De discussie over herindeling houdt de gemoederen bezig. Hoewel er veel gepraat en geopperd wordt, lijken er geen vruchtbare stappen te worden gezet. Een afronding voor 2018; volgens betrokkenen niet mogelijk. Eenrumer Bert Dijksterhuis vindt dat er momenteel teveel tijd en energie verloren gaat in weinig relevante discussies over vragen zoals met welke andere gemeente het liefst wordt samengegaan. “Zulke benaderingen staan geheel los van de aard van de problematiek en houden de discussie op een laag niveau van amateurisme, en dienen niet het naderbij brengen van de noodzakelijke oplossingen”, vindt hij. Zijn eigen benadering, vanuit het doel en de gewenste indelingsstructuur komt tot een uitkomst die nog niet eerder geopperd is.

“Natuurlijk, het gaat om een complexe problematiek, maar het is zeer wel te doen om de discussie gedegen en met bekwame spoed te voeren en af te ronden indien deze langs relevante lijnen wordt gevoerd”, laat Dijksterhuis weten. “De discussie moet op een rationele grondslag worden gevoerd. De provincie dient hierin het initiatief en de regie te nemen. Je kunt er meer luchtig en lichtvoetig, maar vooral oplossingsgericht tegenaan kijken, en dan gaat het proces ook een stuk gemakkelijker en sneller.”

Belangrijkste is hierbij uit te gaan van de belangen van burgers en andere belanghebbenden. Persoonlijke en politieke belangen zouden geheel aan de kant moeten worden geschoven. Zelf gaat Dijksterhuis uit van twee uitgangspunten om tot een herindeling te komen. “De meest basale vraag die gesteld moet worden is wat de burgers en andere belanghebbenden, dus zij die daar wonen of gevestigd zijn, maar ook tijdelijk belanghebbenden, van een gemeente verwachten. Dat is de vraag naar de bestaansreden van gemeenten. Een tweede vraag is wat een gemeente eigenlijk is en hoe die er uit moet zien.” Het antwoord erop geeft hij zelf. “Wat de burgers verwachten is vrij eenvoudig samen te vatten; een willekeurige greep: De wegen en straten moeten er goed bij liggen, het groen moet netjes worden bijgehouden, handhaving van de openbare orde en veiligheid, het krijgen van hulp en advies bij het opzetten en uitvoeren van plannen of als dat niet kan, een goed onderbouwde afwijzing, een fatsoenlijke behandeling door de ambtenaren, enzovoort.” Ook op de tweede vraag heeft Dijksterhuis een welluidend antwoord: “Ga uit van de volgende definitie: ‘de gemeente is een publieke organisatie die functioneert als een kwalitatief hoogwaardige service-instelling ten behoeve van de ingezeten burgers en andere belanghebbenden en wel tegen de laagst mogelijke kosten’.

De antwoorden op de vragen combineert Dijksterhuis met een aantal dingen die hem opvallen als hij kijkt naar de kaart van de provincie Groningen: de centrale en dominante positie van de stad; de aanwezigheid van de economische en industriële zwaartepunten van de Stad zelf en de regio’s Delfzijl/Eemshaven en Veendam/Hoogezand/Winschoterdiep en een viertal om de Stad liggende plattelandsgebieden: het Hogeland, Oldambt/ Westerwolde en het Westerkwartier en (globaal) het gaswinningsgebied.

Zo komt Dijksterhuis tot een nieuwe indeling die uitgaat van functionaliteit. Zijn voorstel is als volgt: “Sticht een nieuwe gemeente Groningen zodanig dat daarin met daarin alle economische zwaartepunten in de provincie komen te liggen; uiteraard de Stad zelf en verder het haven- en industriegebied rond Delfzijl en de Eemshaven, Hoogezand/ Winschoterdiep, Veendam (met het railknooppunt) en het belangrijkste gaswinningsgebied. Hiermee wordt de Stad als het belangrijkste bestuurscentrum verantwoordelijk voor het gros van de industriële en economische activiteiten in de provincie met een vergaande uitstraling naar het omringende gebied (provinciaal en mogelijk nationaal grensoverschrijdend). Deze concentratie heeft de potentie om zich te ontwikkelen tot een economische motor met een grote aantrekkingskracht en uitstraling.

Het resterende deel van de provincie is in hoofdzaak en nagenoeg geheel plattelandsgebied met een sterk agrarisch karakter en nog te ontwikkelen toeristisch potentieel. Geografisch laat dat gebied zich globaal maar logisch indelen in drie nieuwe gemeenten: Oldambt/ Westerwolde en Stadskanaal; Het Hogeland ( Eemsmond, Bedum, Winsum en De Marne) en Het Westerkwartier ( Grootegast, Marum, Leek en Zuidhorn). Deze drie nieuwe gemeenten krijgen de opdracht het plattelandskarakter te behouden en richten zich op toerisme en recreatie en het faciliteren van agrarische en andere min of meer kleinschalige bedrijvigheid. Voor hun functioneren doen zij een beroep op de expertise die in de Stad aanwezig is en waarvan het voor die gemeenten te duur, dan wel niet nodig is die zelf in huis te hebben of te halen. Zij kopen dus die expertise bij de Stad in. Te verwachten is dat deze plattelandsgemeenten financieel onvoldoende draagkrachtig zullen zijn. De nieuwe gemeente Groningen wordt eventueel mede verantwoordelijk voor de financiering van de plattelandsgemeenten.”

Een verrassende en nieuwe insteek die nog niet eerder gehoord is in de tot nu toe gevoerde discussie. Zelf is Dijksterhuis momenteel niet gerust op een goede uitkomst. Daarom besloot hij zijn notitie ook te sturen naar alle gemeenteraden in de provincie, de provinciale staten en de bijbehorende colleges. “Er ligt nu de kans om het in één keer goed te doen”, vindt Dijksterhuis. “Ik ben bang dat we anders over een jaar of tien de herindelingsdiscussie weer voeren. Hoewel ik geen liefhebber ben van grootschaligheid, pleit ik in dit geval daar toch voor”, vervolgt hij. “De nadelen moeten worden geneutraliseerd door de wijze waarop de nieuwe gemeenten worden georganiseerd en gemanaged. Het organiserend principe naast de wettelijk opgelegde uitgangspunten, moet zijn dat bestuur, beleidsvorming en niet direct op belanghebbenden gerichte diensten worden gecentraliseerd en de uitvoering, waarbij de burger en andere belanghebbenden een direct belang hebben, worden gedecentraliseerd. Deze diensten moeten voor alle belanghebbenden op individueel niveau en eenvoudig locaal bereikbaar en aanspreekbaar zijn.”