Maria’s Mooie Mensen week 40

0
156

De buurvrouw; een begrip in ons huis. Al eerder schreef ik over deze immer opgeruimde en opgewekte vrouw, die ontzettend recht voor haar raap is. Menig keer als ik de oprit oprij, zwaait de deur bij haar ‘geheel toevallig’ open en word ik onderworpen aan ofwel een kruisverhoor, ofwel een uitweiding van haar kant over de overheid ‘georganiseerde criminaliteit’ of één van haar andere stokpraatjes. Mijn zwangerschap blijft meestal onbesproken, nee, “kinderen zijn best wel lastig”, zei mijn buurvrouw resoluut toen ik vertelde zwanger te zijn. Dat zij zelf geen kinderen heeft, zal ongetwijfeld wat met de opmerking te maken hebben. De katten scoren daarentegen wel hoge punten. “Hoe is het met…”, wordt niet gevolgd door, “jouw gezondheid” of “de baby”, maar nee: “die lieve katjes”. Verbazen doe ik me er niet meer over; hoewel ik heb gemerkt dat een dikke buik bij bijna iedereen tot de verbeelding spreekt, zijn er nou eenmaal mensen die er niks van moeten hebben, dat baby-geneuzel. Afgelopen weekend zag ik een andere kant van de buurvrouw, toen ze plots constateerde dat ik mijn buik toch echt niet meer kon verbergen. Niet dat ik dat ooit wilde overigens, maar zelf immer slank, houdt ze ook mijn lijn vaak in de gaten en laat ze regelmatig weten wat de stand van zaken is. Dat ze vervolgens aangaf dat ik smaller was geworden in het gezicht, is dan ook een compliment, dat ik dankbaar in ontvangst nam. Zo scheutig is ze meestal niet. Maar deze dag wel. Zomaar ineens vertelde ze over kinderen en waarom zij en haar man daaraan niet waren begonnen. “Het was een hele arme tijd, toen wij nog jong waren. Heel veel kinderen leefden in grote armoede; ze moesten vaak in een tehuis worden opgenomen, simpelweg omdat hun ouders geen geld hadden om voor ze te zorgen”, blikte ze terug. “Dus besloten wij, zelf niet aan kinderen te beginnen. Bovendien, waren er naast kinderen van jezelf, zoveel kinderen die een goed plekje zochten, dat we daar wel voor konden zorgen.” Ook dat liep stuk, toen de ouders van het eerste meisje wat ze aannamen, toch weer een beroep deden op hun voogdij. “Als het dan nooit echt van jezelf wordt en je er altijd weer afscheid van moet nemen; dat viel ons te zwaar. Maar ik kon toch ook op een andere manier goed doen”, vervolgde ze. “Daarom heb ik jaren als verpleegster gewerkt op de kinderafdeling.” Juist daar werd ze gesterkt in het besluit geen kinderen op de wereld te zetten. “Je ziet er zulke kleine kinderen die al zoveel moeten doorstaan. Sommige hebben zeven of acht operaties achter de rug op zo’n jonge leeftijd en geen vooruitzichten. Vaak met maar een minimale kans van overleven of oud worden.” Triest schudde ze haar hoofd. “En als ze dan weer herstelden, bleven ze vaak naast de maatschappij staan. En dat terwijl de maatschappij zo hard is geworden tegenwoordig.” Woorden die indruk maakten bij mij en waardoor ik dankbaar dacht aan het tot nu toe kerngezonde meisje wat in mijn buik huist. De buurvrouw echter was haar andere kant alweer vergeten. “Als we het over harde maatschappij hebben; wij moeten nu alweer inleveren. De overheid, ik noem het gewoon georganiseerde criminaliteit.”